Onverklaarbaar bewoond

Onverklaarbaar bewoond

Het wonderlijke domein van de hersenen

Een mens zit op een andere manier vast aan zijn hersenen dan aan bijvoorbeeld zijn benen of zijn galblaas. Wie zijn galblaas kwijtraakt, blijft als mens geheel aan dek. Maar wie een deel van zijn hersenen moet prijsgeven vanwege een ongeluk, een tumor of een bloeding, kan eindigen met een ernstig verdraaide versie van zichzelf. Een beschadigd brein betekent een beschadigde ziel.
Op zoek naar een dieper inzicht in de relatie tussen onze hersenen en onszelf, volgde arts en filosoof Bert Keizer gedurende enkele maanden een aantal hersenchirurgen en hun patiënten van zeer dichtbij. Patiënten beziet hij niet alleen als medische gevallen, maar in de eerste plaats als mensen, die te maken krijgen met onthutsende veranderingen. Hij schetst een levendig en uitermate realistisch beeld van hun lotgevallen, vol dialogen en filosofische terzijdes. Zijn collega’s bewondert hij om hun durf en vaardigheid, maar hij stelt ze ook kritische vragen over de gevolgen van hun ingrepen.
Onverklaarbaar bewoond is een even belangwekkend als onthutsend relaas in de kenmerkendeKeizerstijl: nuchter en scherp, maar ook soepel, en met onnadrukkelijk mededogen.

Bert Keizer (1947) is arts en filosoof. In 1994 verwierf hij landelijke bekendheid met de bestsellerHet refrein is Hein – Leven en sterven in een verpleeghuis (65.000 exemplaren verkocht). Daarna schreef hij een roman, Tijdelijk feest, en een introductie op het denken van Ludwig Wittgenstein, Taal, de dwalende gids. In 2008 verscheen zijn vertaling van een aantal brieven van Emily Dickinson onder de titel Welk een waagstuk is een brief. Keizer is columnist van Trouw en van Medisch Contact.

 

Bert Keizer in de pers

> Luister naar een interview met de auteur in TROS Nieuwsshow
> Beluister de podcast van AVRO-radio, De Praktijk.
> Op 28 januari j.l. was Bert Keizer te gast bij OBA Live. Bekijk hier de uitzending.
> Op zondag 21 februari j.l. was Bert Keizer te gast in het VPRO televisieprogramma 'Boeken', presentatie: Wim Brands. Bekijk hier de uitzending.

Fragment: hoodstuk 1

1. Rorschachs

Ergens in de zomer heb ik een soort van sollicitatiegesprek gehad met de stafleden van de afdeling. Wat ik eigenlijk kwam doen? Als ik dat heel precies zou weten uit te leggen, dan hoefde ik er niet aan te beginnen. Maar dat heb ik niet gezegd.
Het gesprek werd onhandig tastend begonnen, maar al gauw bleek dat ik niet kwam zoeken naar blunders, schandalen of romances.
‘Wat ik zoek is een filosofisch practicum waarin de aard van uw werk, het opereren in onze hersenen, van allerlei kanten belicht wordt.’
Ik kreeg te horen dat ik wel aan het juiste adres was, want, zo vertelde een van de chirurgen later bij de koffie: ‘Het is een fascinerend vak hoor, met onverwacht bizarre uithoeken. Neem bijvoorbeeld een zeldzaam tumortje als het hypothalamus hamartoom, waarvan mensen lachaanvallen krijgen, het zogeheten gelastisch syndroom, uitermate fascinerend.’
De volgende vraag was hoe ik op de afdeling wilde rondlopen. Als arts? Voorbijganger? Journalist? Antropoloog? De keuze viel op ‘arts, maar niet behandelend, wel schrijvend’.
‘En dit is dokter K., hij gaat over ons, en u!, iets schrijven, leuk hè?’
Is het niet verschrikkelijk?

Hoe verschrikkelijk het is merk ik pas op die maandagmorgen tegen het einde van september als ik door een plensbui naar het ziekenhuis fiets. Het regent keihard. Ik ga bangelijk op weg naar al die mensen die ik niet ken en die zich afvragen: wat doet ie hier eigenlijk?
Ik kan mijn filosofische practicum beginnen met het zoeken naar een onopvallende plaats om uit mijn regenkleding te komen. Wel eens iemand zijn regenpak zien uittrekken met behoud van persoonlijke waardigheid?
Het lukt in het halfduister onder de luifel voor de ingang.
Omdat ik denk dat ze het allemaal eigenlijk niks vinden dat ik er ben, is mijn verrassing dubbel zo groot als iemand koffie voor me gaat halen alvorens het ochtendrapport begint.
We zitten met zo’n twaalf mensen rond de tafel. De twee co-assistenten en deze bedeesde buitenstaander zitten niet aan de tafel, maar op de tweede rang. De gebeurtenissen van het weekend rollen snel voorbij in de vorm van hersenscans.
Twee jonge vrouwen komen langs, verkeersongelukken, de snelheid wordt genoemd, allebei blijken een occipitaal condylfractuur te hebben, een gewrichtsvlakje onder op de schedel waar hij op ronddraait. Een recentelijk aan het licht gekomen diagnose die nooit eerder werd gesteld omdat men niet eerder in dat hoekje naar ellende kon zoeken, maar de huidige scans kijken daar wel.
Duizenden nekpijnpatiënten, na verkeersongelukken weggestuurd met de mededeling ‘moet niet zo zeuren’, kunnen mogelijk een occipitaal condylfractuur gehad hebben.
‘Ach,’ zegt dokter Hagedoorn, zij was het die koffie voor me haalde, ‘je moet niet alles willen weten.’

We zakken een verdieping en haasten ons naar de röntgenbespreking. In een halfdonkere kamer zitten zo’n twintig artsen. Opnieuw een stroom scans, nu beoordeeld en becommentarieerd door de neuroradioloog, collega Giotti, een Italiaanse die met haar gezicht naar ons toe zit en op haar scherm de beelden heeft die wij via de beamer bekijken. Alleen haar veelzeggende ogen komen boven het computerscherm uit als ze ons toespreekt over een mogelijke bloeding die ook een abces kan zijn of een tumorrest.
Meneer B. heeft een AVM oftewel een Arterio Veneuze Malformatie, een vaatkluwen die zich in de hersenen bevindt. Niet erg, maar die dingen lekken soms met als gevolg schade in het omliggende hersenweefsel. En ze kunnen ploffen. Dit is een grote. De therapie is dat je de aanvoerende bloedvaten vult met propjes, een linke procedure naar het schijnt, want je kunt nooit alle aanvoerende vaten te pakken krijgen. Dat betekent soms dat er na gedeeltelijke afsluiting extra veel bloed door de resterende vaten moet, die onder deze nieuwe toevloed kunnen bezwijken.
‘Wij bewonderen de moed van dokter van Megen,’ zegt Freddy Hetzinger, ‘dat hij zo’n groot ding te lijf durf te gaan.’
‘Wat dacht je van de moed van de patiënt Fred?’ vraagt Suzanne Hagedoorn lacherig.

Na opnieuw koffie en wat persoonlijke anekdotiek waar ik bedremmeld bij sta als wel en niet lid van de club, gaan we over tot de grote visite. Ik heb nog geen witte jas en hou me mooi gedeisd, achter in de stoet. Dat lukt wel voor de patiënt rond wiens bed we staan. Maar de andere patiënten zien mijn keurige grijze broek en witte overhemd en denken: wat doet die vent van de salarisadministratie nou tussen al die witte jassen?

Na de visite loop ik met Sander de Vries mee naar de Intensive Care, nu wel in een witte jas, waarin ik me nogal potsierlijk voel. Het oude co-gevoel: als ze er maar niet achter komen dat ik geen arts ben – maar dat ben ik wel – maar hier juist weer niet.
Sander legt de rolverdeling uit, met bijbehorende toekomstperspectieven. Hijzelf is arts-assistent op de afdeling neurochirurgie en niet, of nog niet, in opleiding tot neurochirurg.
Toekomst: onbekend, misschien opleiding hier, maar briljante aanbiedingen uit aanpalende disciplines zullen welwillend in overweging worden genomen. Kees Kamminga is staflid, vijftig plus, een zeer ervaren neurochirurg, type Friese eik. Dan is er Freddy Hetzinger, veertig plus iets minder ervaren maar daarom een niet minder eigenwijze neurochirurg.
‘Hij zou wel in een sportwagen willen rijden, maar blijft het uitstellen.’ Suzanne Hagedoorn is eenendertig, neurochirurg in opleiding, bijna klaar. Toekomst? Moet je haar vragen. Verder is er op de afdeling neurochirurgie altijd een neuroloog in opleiding, die hier zes maanden stage loopt, Mieke Visser, nu op vakantie naar Kreta of Korea. ‘O, en de eindeloze optocht co-assistenten die hier hun eerste onuitwisbare indrukken komen opdoen.’
Wij zijn inmiddels bij meneer Naber, zevenenvijftig jaar oud, die een ernstige bloeding had in de achterste schedelgroeve.
Ja, ik heb die associatie ook: waar wilt u begraven worden? In de achterste schedelgroeve natuurlijk.
Er zijn binnen de schedel natuurlijk geen leuke plaatsen voor bloedingen, maar deze is wel heel ongelukkig qua locatie, want van hier uit kan van alles beklemd raken in de hersenstam. Ademhaling bijvoorbeeld. Het vreemde is dat meneer het beeld heeft van een hoge dwarslaesie, alsof zijn ruggenmerg een tik heeft gekregen, maar dat is niet het geval.
Boven zijn nu zwaar en zinloos geworden lichaam is meneer kraakhelder. Je zou hem op zijn minst wat slaperigheid toewensen. Hij kan niet praten of slikken. Hij kijkt ons aan met grote onbegrijpelijk rustige ogen.
‘Zou het dan toch niet helemaal tot hem doordringen?’ vraag ik Sander terwijl we de gang in lopen.
‘En óf dit tot hem doordringt!’
Sander is een scherpe, aandachtsvolle jongen, heel attent in zijn omgang met patiënten. We kennen elkaar nog maar drie kwartier. Dat wil zeggen, nog niet goed genoeg om over de veel te heldere Naber te zeggen: ‘Dat is nou juist zo erg, dat het tot hem doordringt.’

Ook op de IC, meneer Ramones. Hij is negenendertig jaar oud. Hij werd de afgelopen nacht bewusteloos op straat gevonden na een val of een duw uit een café, met naast zich in een tas met 38.000 euro.
‘Je ziet vaak bloedingen bij dat soort bedragen,’ zegt Sander. Dit keer een bloeding tussen brein en schedeldak. Er werd een drain ingebracht om de situatie te ontlasten, want hersenen gaan zwellen onder die omstandigheden en daar is geen ruimte voor in die benige doos.
Maar nu is meneer bijna niet onder controle te krijgen omdat hij steeds zijn bed uit wil om allerlei dingen te gaan ondernemen ondanks de vele ‘pammen en haldolala’s’, zoals Sander de medicatie kenschetst.
Zijn ex heeft de foto gebracht van hun twaalfjarige dochtertje. Sander probeert de man te kalmeren met de foto en de belofte dat hij zijn dochtertje weer gauw zal zien. Je ziet in de manier waarop hij dit doet dat hij zelf geen kinderen heeft. Hij hanteert de foto als een soort teddybeer, maar Ramones is de teddybeer voorbij en wordt er niet rustig van. Integendeel, hij blijft om zich heen klauwen op zoek naar houvast, ook geestelijk. Hij ligt vastgesnoerd in een Zweedse band.
‘Onrust bij neurotrauma is altijd goed,’ zegt Sander, ‘de rustigen zijn verontrustend.’
Terwijl Sander met Ramones bezig is komt een zuster lachend voorbij: ‘Riep iemand mij nou of niet?’
Van de andere kant klinkt het: ‘Je hoort stemmen Ida, ga effe liggen ergens.’

Tijdens de lunch komt carotis-chirurgie ter sprake, de ingreep waarbij wandstandige prut in de halsslagader wordt verwijderd, om te voorkomen dat kleine fragmentjes losraken en verderop in het brein schade veroorzaken door een bloedvat te blokkeren.
Suzanne, minachtend lachend: ‘Daar is nou echt geen ruk aan! Vat open, prut er uit scheppen, en vat weer dicht maken. Elke OK is een trucje natuurlijk, maar geef mij dan maar een liesbreuk.’
Wij, de twee co-assistenten en ik, luisteren eerbiedig, want wij opereren zelf niet en vinden elke bezigheid op dat slappe koord een prestatie, helemaal als je het in hersenen durft, want daar krijgt het iets van weven met spinrag.
Suzanne houdt wel van een klein publiekje en praat lekker door. Ze raadt de co-assistenten aan te genieten van dit stadium in hun medische carrière, want het wordt allemaal nog veel en veel erger.
‘Achteraf vielen mijn co-schappen best mee, moet ik zeggen, best een leuke tijd eigenlijk.’
‘Achteraf viel uw jeugd misschien ook erg mee, maar toen het gaande was?’ zegt een wakkere co.

Aan het eind van de middag neuro-oncologiebespreking. Neurologen die veel van hersentumoren afweten zitten hier samen met neurochirurgen die er niet alleen iets van af weten, maar die mogelijk ook met die kennis een schedel in moeten om daar een paar zaken te gaan verleggen zodat het Noodlot er niet langs kan. Nou, voorlopig niet langs kan. Want het is vrijwel altijd uitstel van executie.
Ook hier weer een barrage van scans op het scherm, krankzinnige rorschachs waaruit het verdere lot van de eigenaars kan worden afgelezen door de hier in het halfduister verzamelde artsen.
Over een verondersteld niet erg agressief gezwel roept een van de neurologen: ‘Dat ding is groot. Die vrouw is oud. Niet opereren!’
Die vrouw is tweeënzestig. Ik sta op het punt om op te springen en te roepen: hé, wacht even, besef je wel dat ik ook tweeënzestig ben?
Nou ja, bijna dan.
Aan het eind van de bespreking staat iedereen op om zich naar de deur van de kleine ruimte te begeven, maar ene collega Van Rijn, zie ik op zijn badge, is net binnengestapt en praat enigszins aarzelend op de weggaanders in, waarbij hij zich vooral richt tot Suzanne, wiens pieper al een tijdje gaat.
‘Ik had een heel onaangename dood vandaag. Een jongen van achttien jaar. Stierf in bed bij zijn tante.’
Suzanne maakt zich voorzichtig van hem los. ‘Wacht even Richard, ik moet echt even naar de telefoon, ik heb de noodpieper.’
Omdat ik in de rol van schuchtere co altijd iedereen voor laat gaan, blijf ik als laatste over, zodat Van Rijn zijn relaas over de vertrekkenden heen tot mij richt: ‘Ik had hem indertijd geopereerd voor (woord dat ik niet kon verstaan) maar nu blijkt het…’ Hij blikt om zich heen in de nu vreemd lege ruimte en besluit: ‘Nu blijkt het een Hashimoto te zijn met een cardiomyopathie.’
Ik begrijp wel waarom hij het kwijt wil, maar ik ben geen goed oor voor deze dramatiek en voel me daar schuldig over.
‘Ben jij de nieuwe assistent op neurochirurgie?’ vraagt hij.
Ik leg mijn aanwezigheid uit.
‘O juist, ja ik had er iets over gehoord. Nou, die eh jongen waar ik het net over had, die eh, daar kun je niks over schrijven natuurlijk.’
Ik beaam het.
Gelukkig komt Suzanne nu terug en kan hij de dode jongen nog een keer met haar bespreken.