Leesfragment

Hier om te helpen. 150 jaar Nederlandse Rode Kruis

  • 8 mei 2017
  • 6m

Maandag 8 mei nam koning Willem-Alexander in de Ridderzaal in Den Haag het eerste exemplaar van Hier om te helpen. 150 jaar Nederlandse Rode Kruis in ontvangst. Ad van Liempt en Margot van Kooten schreven het boek,  lees hieronder een fragment.

 

1859-1867

‘Wij zijn allen broeders,’ herhaalden zij steeds gevoelvol.

Het begint met de grote technologische ontwikkelingen in de wapen­industrie in de negentiende eeuw. Kanonnen worden zwaarder en krijgen een groter bereik, er komen houwitsers en mortieren op de markt, en geweren kunnen sneller schieten. Het uitschakelen van tegenstanders wordt steeds gemakkelijker. Het gevolg is dat de slagvelden bezaaid komen te liggen met kermende gewonden, bij tienduizenden.

Solferino in Noord-Italië is in juni 1859 zo’n slagveld. De Zwitserse zakenman/schrijver Henry Dunant loopt er de dag na de slag rond en schrijft er een gepassioneerd boek over. Hij is vol bewondering voor de Italiaanse vrouwen die zonder onderscheid de gewonden proberen te helpen. ‘Tutti fratelli’ (Wij zijn allen broeders).

Dunants boek brengt een keten van gebeurtenissen op gang. Hij wil met gelijkgestemden een organisatie oprichten om die gewonden op de slagvelden te helpen. Hij ontmoet de Nederlandse legerarts Johan Basting, die hem ervan overtuigt dat zo’n organisatie een neutrale status moet hebben om effectief te zijn. In oktober 1863 komt er een Interna­tionaal Comité dat alle landen oproept een nationaal comité voor hulp aan gewonde soldaten op te richten. In augustus 1864 spreken landen op een congres in Genève af dat ze helpers van gewonden buiten de strijd zullen houden en dat ze hun neutraliteit zullen respecteren.

Waarom lukt dat zo gemakkelijk? Puur humanitaire overwegingen gelden bij de een; de wens zo snel mogelijk weer over die gewonde soldaat te kunnen beschikken motiveert de ander.

Die Nederlandse afdeling komt er pas in 1867, als koning Willem III een desbetreffend besluit tekent. Er zijn dan al tientallen landen met een organisatie, die pas decennia later overal Rode Kruis gaat heten. Henry Dunant is inmiddels failliet gegaan en in ongenade gevallen. Johan Bastings rol is overal vergeten, ook in Nederland. Maar hun beider droom is werkelijkheid geworden.

De tandem Dunant-Basting

Het is een gedenkwaardige ontmoeting, in september 1863 in Berlijn, tussen twee zielsverwante mannen. Jean Henry Dunant, de Zwitserse zakenman die velen heeft geschokt met zijn aangrijpende beschrijving van het lijden van de gewonden op het slagveld van Solferino, vier jaar eerder, in juni 1859. En Johan Basting, de Nederlandse officier van gezondheid die Dunants boekje in handen heeft gekregen en het, diep onder de indruk, in het Nederlands heeft vertaald.

Ze ontmoeten elkaar bij een wetenschappelijk congres in Berlijn over statistiek en sterftecijfers van frontsoldaten, waar Dunant is uitgenodigd om te spreken over zijn ervaringen in de hel van Solferino en zijn vurige wens dat er initiatieven komen om het lijden van gewonde soldaten op het slagveld te verlichten. Samen met Zwitserse geestverwanten heeft Dunant tien punten opgesteld als basis voor de oprichting van nationale organisaties die iets aan dat lijden zouden moeten gaan doen. In die punten bepleit hij bescherming van hulpverleners door de strijdende partijen en ook van burgers die gewonden helpen; hij wil dat hospitalen gekenmerkt worden door een vlag met een rood kruis op een witte achtergrond. Aan de vooravond van Dunants zeer gewaardeerde bijdrage is er de ontmoeting met Basting. Die is dan 46 jaar oud, Dunant is pas 35. Ze hebben al met elkaar gecorrespondeerd, maar nu krijgt Basting de gelegenheid ook persoonlijk kennis te maken met de man die hij meer dan wie ook bewondert. Toch is het gesprek vooral zakelijk. Basting, die als ‘chirurgijn-majoor’ bij het Regiment Grenadiers en Jagers op dagelijkse basis met de gezondheidszorg van militairen bezig is, wil Dunant ervan overtuigen dat zijn uitgangspunten voor een nieuwe hulporganisatie niet toereikend zijn. Basting weet dat het beter kan, hij denkt dat effectieve hulpverlening alleen mogelijk is als het verplegend personeel op en rond het slagveld een neutrale status krijgt die door iedereen wordt erkend. Hij vindt in Dunant een geestverwant, de Zwitser laat zich snel overtuigen. Hij komt met Basting tot de conclusie dat de tien punten waarmee hij naar Berlijn is gekomen met drie nieuwe moeten worden aangevuld:

  • de Europese regeringen geven bescherming aan hun eigen organisaties, die door aanzienlijke personen bestuurd zullen worden;
  • de regeringen zullen het militair geneeskundig personeel en de vrijwillige verplegers voortaan erkennen als neutraal;
  • de regeringen zullen het vervoer ‘begunstigen’ van personen en hulpgoederen van de nationale verenigingen.

Daarmee gewapend (voortaan zullen ze de ‘Berlijnse Artikelen’ genoemd worden) zal Dunant later die maand de volgende diplomatieke stap gaan zetten: een internationale conferentie in Genève, te houden op 26 oktober 1863.

Dunant was eigenlijk zakenman, begonnen bij een bank, hij richtte later een handelsmaatschappij in Algerije op. Hij was christelijk opgevoed en had van huis uit een groot gevoel voor de noden van de medemens meegekregen. Daarnaast hield hij erg van schrijven. Zijn interesse voor het lijden van gewonde en stervende soldaten op de slagvelden was zeker verhevigd door de publiciteit over de Krimoorlog, die van 1853 tot 1856 woedde en waarover huiveringwekkende verhalen en foto’s in de kranten hadden gestaan. De Britse Florence Nightingale, die al in een paar Europese ziekenhuizen had gewerkt, bood op grond daarvan aan met bijna veertig verpleegsters naar de Krim te gaan om daar de Britse soldaten bij te staan. Het gezelschap kwam er in een hel terecht. Dui­delijk was dat de moderne oorlogvoering met bijbehorend wapentuig op massale schaal zeer zware verwondingen aanrichtte, waar de medische wetenschap geen antwoord op had. Na terugkomst in Londen richtte ze de eerste verpleegopleiding ter wereld op en streed ze voor betere hygiënische omstandigheden, omdat ze gezien had dat gebrek aan hygiëne in de veldhospitalen zoveel slacht­offers veroorzaakte. Henry Dunant had veel gelezen over Florence Night­in­gale, die als ‘de dame met de lamp’ een engelachtige reputatie had verworven.

Drie jaar na de Krimoorlog, in 1859, heeft Dunant een boek klaar over de Franse keizer Napoleon III, die in juni van dat jaar in Italië oorlog voert tegen het Oostenrijkse leger. Het is een merkwaardig boek, een zwaar overtrokken ode aan de keizer, volgens sommigen geschreven uit wanhoop: Dunants zaken in Noord-Afrika zijn zo vastgelopen dat hij hoopt dat de keizer, aangespoord door dat hyperpositieve boek, hem zal helpen de misère te overwinnen.

Dunant wil het boek persoonlijk aan Napoleon III overhandigen en reist daartoe naar diens hoofdkwartier in het plaatsje Solferino, iets ten zuiden van het Gardameer. Daar heeft juist een veldslag plaatsgevonden tussen het Oostenrijkse leger en de Frans-Sardijnse troepen. Dunant hoort daarover; hij is een bewonderaar van Florence Nightingale en zeer begaan met het lijden van gewonde soldaten. Daarom besluit hij zelf op het slagveld te gaan kijken.

Het wordt een beslissende ervaring. De Zwitserse zakenman/schrijver zet zijn waarnemingen in realistische taal op papier:

Ginds heeft er een ijselijke en vreselijke strijd van man tegen man plaats. Oostenrijkers en verbondenen (het Frans-Italiaanse leger) werpen elkaar onder de voet, doden hunne tegenpartij; met de voet op bloedende lijken staande verbrijzelen ze hun vijand de schedel met kolfslagen of doorboren elkaar met sabel- of bajonet­steken. Hij die geen wapens meer heeft grijpt zijn tegenstander bij de keel om hem te verworgen.

Het is onvermijdelijk dat Dunant, rondwarend op het slagveld, zelf ook slachtoffers begint te helpen:

Er was één arme ziel, volledig verminkt, met een gebroken kaak en een tong die gezwollen uit zijn mond hing. Hij lag te draaien en probeerde overeind te komen. Ik bevochtigde zijn droge lippen en uitgedroogde tong, nam een handvol pluksel [verband] en doopte dit in de emmer die ze achter me aan droegen, en kneep het water uit deze geïmproviseerde spons in de misvormde opening die ooit zijn mond was geweest.

En al spoedig blijkt dat hij niet de enige is. Italiaanse vrouwen uit de naburige dorpen zijn volop bezig met het stelpen van de bloedingen, en ze verliezen al snel hun partijdigheid uit het oog:

Maar toen de vrouwen van Castiglione zagen dat ik geen onderscheid maakte tussen nationaliteiten, volgden zij mijn voorbeeld en toonden dezelfde vriendelijkheid tegenover al deze mannen van wie de achtergrond zo verschillend was, en die voor hen allemaal vreemdelingen waren. ‘Wij zijn allen broeders’ (‘Tutti fratelli’) herhaalden zij steeds gevoelvol. Deze meelevende vrouwen, deze meisjes van Castiglione, verdienen alle eer! Onverstoorbaar, onvermoeibaar, onwankelbaar, in hun stille zelfopoffering hechtten zij weinig belang aan vermoeidheid en gruwelijkheden, noch aan hun eigen toewijding.

Dunants boek verschijnt in 1862 onder de titel Un souvenir de Solférino. De oplage telt 1600 exemplaren, maar het boek is niet te koop: Dunant deelt het uit aan mensen die er iets nuttigs mee zouden kunnen doen. Zo komt het ook in handen van militair arts Johan Basting, die aan zijn vertaling (vanaf 1863 in Nederland wél te koop) een naschrift toevoegt:

Al hebben wij geen schuld aan de oorlog, toch hebben wij een schuld te betalen aan de deerniswaardige slachtoffers van de oorlog. Wij zijn schuldig om die ongelukkigen te helpen, te verzorgen en hun treurig lot zoveel mogelijk te verzachten. Dit, mijne lezers, is althans mijn innige overtuiging.

De Slag bij Solferino, juni 1859. Reproductie van een schilderij (La Battaglia di Solferino) van Carlo Bossoli.

Geen wonder dus dat het klikt tussen Henry Dunant en Johan Basting als ze elkaar in 1863 in Berlijn ontmoeten. Dunant heeft dan al een lang proces achter de rug. Hij is lid geworden van le Comité des Cinq, commissie van vijf personen die is ingesteld door de Société d’utilité publique genevoise (Genootschap tot Nut van het Algemeen van Genève), onder voorzitterschap van de plaatselijke notabele Gustave Moynier. In dat groepje is een lijst van tien uitgangspunten tot stand gekomen, die de basis vormt voor een beter systeem van verzorging van oorlogsgewonden. Het comité noemt zichzelf kort daarna Comité international de secours aux blessés en besluit tot de organisatie van een internationale conferentie in Genève. Als blijkt dat Dunant op aanraden van Basting kort voordien de tien uitgangspunten heeft uitgebreid met drie andere, waaronder een bepaling omtrent het neutraal verklaren van hulpverleners, is het eerste conflict binnen het comité geboren. Dunants collega’s zijn ervan overtuigd dat de conferentiedeelnemers dit een stap te ver zullen vinden en verwijten hem dat hij de kans op slagen op voorhand al heeft geminimaliseerd.

Maar dat blijkt in de praktijk mee te vallen.

Onder de 31 aanwezigen op de bijeenkomst in de Grand Salon van het dan splinternieuwe Palais de l’Athénée in Genève is het enthousiasme voor concrete hulpverlening groot en algemeen. Het zijn vooral diplomaten en mensen met een militair-medische achtergrond. De onzekerheid bij het Internationaal Comité over het verloop verdwijnt snel als de vertegenwoordiger van het invloedrijke Pruisen, dr. Friedrich Löffler, zich positief uitspreekt over de plannen voor nationale hulporganisaties. Hij effent daarmee het pad voor goedkeuring van de tien punten die het comité aan de aanwezigen voorlegt. Het comité begint zelf niet over het intern omstreden punt van de neutraliteit van hulpverleners, dat laat het over aan de ook aanwezige Nederlandse afgevaardigde Johan Basting, die zijn inbreng heeft afgestemd met Dunant. Zijn betoog komt erop neer dat hulpverlening aan en achter de fronten alleen kans heeft als de artsen en verpleegsters door iedereen gerespecteerd worden en niet gevangengenomen kunnen worden. Alle aanwezigen in Genève zien daar de redelijkheid van in en gaan ermee akkoord dat de nieuwe nationale hulporganisaties en hun medewerkers als neutraal moeten worden beschouwd. Daarmee hebben Basting en Dunant hun belangrijkste punt binnengehaald.

De bijeenkomst in Genève, die in totaal vier dagen duurt, accepteert voorts de suggestie om een gezamenlijk kenteken te gaan voeren, zodat de hulpverleners op het slagveld direct herkend kunnen worden: een witte armband met een rood kruis. Er heerst een optimistische sfeer als de vergadering wordt besloten: de afgevaardigden sporen het Internationaal Comité aan om de drijvende kracht te blijven achter de volgende doelstelling, de oprichting van zo veel mogelijk nationale organisaties. Het is 29 oktober 1863: later zal deze dag beschouwd worden als het moment van oprichting van het Internationale Rode Kruis, al bestaat die naam dan nog niet.


Leesfragment

Geschiedenis van de joden in Nederland

Fragment uit Geschiedenis van de joden in Nederland, onder redactie van Hans Blom, David Wertheim, Hetty Berg en Bart Wallet.

Tussen marge en centrum. Joden in naoorlogs Nederland

B.T. Wallet

Op 1 november 1956 moest het na jaren van rouw en wederopbouw weer eens feest worden in joods Amsterdam. In Oost was in de Linnaeusstraat …

Lees verder