Nieuws

Leesfragment ‘Angst’ uit ‘De fantoomterreur’ van Adam Zamoyski

  • 14 juli 2017
  • 14m

Het nieuws over de val van de Bastille veroorzaakte een schokeffect toen het door Europa heen golfde, en nog verder, over de Atlantische Oceaan naar de Verenigde Staten en de Europese koloniën op het Amerikaanse continent. Hoewel de gebeurtenis op zichzelf niet veel meer betekende dan alarmerende opstootjes, muiterij en straatterreur, werd die toch overal gezien als symbool voor iets anders, en werd er enorm veel belang aan gehecht. De Engelse staatsman Charles James Fox verklaarde dat ‘het de belangrijkste gebeurtenis was die ooit in de wereld had plaatsgevonden’. In plaats van verdere ontwikkelingen af te wachten voordat men zich een mening vormde, namen de meeste ontwikkelde mensen een van twee standpunten in die lijnrecht tegenover elkaar stonden. Het was alsof ze een langverwacht signaal hadden gezien.

Voor degenen die zich identificeerden met het ideologische handvest van de achttiende-eeuwse Europese Verlichting, was de naargeestige oude burcht (die grotendeels leegstond) een emotioneel beladen symbool van het onderdrukkende en onrechtvaardige ancien régime, waarvan de instellingen en praktijken onaanvaardbaar waren voor modern denkende mensen. De Bastille stond model voor alles wat er mis was met de wereld. De val ervan werd dan ook gezien als de voorbode van een nieuwe tijd, die op alle manieren onmetelijk rechtvaardiger en moreler zou zijn dan de huidige tijd. Hun reactie berustte op geen enkele logica of redenering.

‘Omdat de Bastille beslist geen enkele bedreiging heeft gevormd voor welke inwoner van Sint-Petersburg dan ook,’ merkte de Franse ambassadeur aan het Russische hof op, ‘vind ik het moeilijk om het enthousiasme te begrijpen dat de val van deze staatsgevangenis bij winkeliers, kooplui, stedelingen en een aantal jongeren uit een hogere sociale klasse opriep.’ Hij vervolgde met een beschrijving van de manier waarop mensen elkaar op straat omhelsden, alsof ze ‘bevrijd waren van een uitzonderlijk zware last die hen had neergedrukt’. Zelfs de jonge grootvorst Alexander begroette het nieuws met geestdrift.

Vanuit Londen schreef de advocaat en wethervormer sir Samuel Romilly aan zijn Geneefse vriend Étienne Dumont: ‘Ik weet zeker dat ik je niet hoef te vertellen hoe verheugd ik was over de revolutie die nu heeft plaatsgevonden. Ik denk nergens anders aan, ik vind het amusant om ernaar te gissen wat de belangrijke gevolgen hiervan in heel Europa zullen zijn. […] De revolutie heeft hier tot een zeer oprechte en algemene blijdschap geleid. […] Zelfs alle kranten zingen, zonder één uitzondering, hoewel ze niet geleid worden door de meest liberale of filosofisch ingestelde mannen, gezamenlijk de lof van de Parijzenaars, en verheugen zich over een gebeurtenis die zo belangrijk voor de mensheid is.’

Deze zienswijze werd herhaald in Duitsland, waar dichters als Klopstock en H.lderlin de revolutie verwelkomden als de grootste gebeurtenis van de eeuw, en talloze Duitsers stroomden naar Parijs om er de lucht van vrijheid in te ademen. ‘Als de revolutie zou mislukken, dan zou ik dat als een van de grootste tegenslagen beschouwen die het menselijk ras ooit zijn overkomen,’ schreef de Pruisische ambtenaar Friedrich von Gentz op 5 december 1790 in een brief aan een vriend. ‘Het gaat hier om de eerste praktische triomf van de filosofie, het eerste voorbeeld van een regeringsvorm die op principes en een duidelijk en consistent systeem is gebaseerd. Zij is zowel de hoop als de troost voor het talloze oude kwaad waaronder de mensheid gebukt gaat.’

Vooral op jongeren had de plotse explosie van energie in de Franse hoofdstad een enorme aantrekkingskracht, en die zette hun collectieve verbeelding in vuur en vlam. ‘Het leek wel of er een visionaire wereld openging’ voor de jonge dichter Robert Southey, en volgens Mary Wollstonecraft ‘sloegen alle hartstochten en vooroordelen van Europa meteen van hun anker’. Het nieuws uit Parijs werd met een haast religieuze vurigheid begroet, en William Wordsworth sprak namens velen van zijn generatie toen hij schreef: ‘Het was hemels om in die dageraad bij de levenden te behoren.’ De wederkomst van de Messias had nauwelijks grotere extase kunnen oproepen.

De opwinding werd aangedreven door gevoelens die in wezen geestelijk van aard waren, vergelijkbaar met het sentiment dat zoveel jonge mensen er in de tweede helft van de twintigste eeuw toe bracht kritiekloos het ‘socialisme’ te omhelzen, dat ze meestal met geen mogelijkheid nader konden omschrijven, maar waarvan ze geloofden dat dit de belofte voor een betere wereld in zich borg. Aangezien ze ervan overtuigd waren dat het voor de mensheid de ‘juiste’ weg vooruit was, probeerden velen die de Franse Revolutie verwelkomden niet alleen haar ergste wreedheden te rechtvaardigen, maar ook om degenen die hun geloof niet deelden als ‘vijanden van het volk’ te brandmerken.

Voor de laatste groep was het nieuws over het oproer in Parijs niet slechts een vreselijke schok, maar een bevestiging dat een al lang voorbereide woeste aanval op de ideologische grondslag van hun universum was begonnen. Vorsten reageerden met voorspelbare woede. De Britse zaakgelastigde in Wenen rapporteerde dat de Oostenrijkse keizer ‘hevige woedeaanvallen’ kende en dat hij ‘de meest gewelddadige dreigingen met wraak’ uitte. De koning van Zweden had niet kunnen slapen nadat hij rapporten over de gang van zaken in Parijs had gelezen, en de tsarina van Rusland had woedend met haar voet gestampt.

De reacties van degenen die minder te verliezen hadden, waren nauwelijks gematigder. ‘Als het Franse delirium niet op de juiste wijze wordt onderdrukt, dan zou het wel eens meer of minder fataal voor het hart van Europa kunnen blijken te zijn,’ waarschuwde de filosoof baron Melchior Grimm, ‘want die pestilente lucht zal uiteindelijk alles verwoesten waarmee hij in aanraking komt.’ In Engeland ging Edmund Burke tekeer tegen het ‘Gif’ dat werd uitgespuugd door ‘de Reptielen die rondkropen in de Modder van de Duistere Ondeugden waarin ze waren verwekt’, zoals hij de Franse revolutionairen beschreef. Zelfs in het verre Noord-Amerika zorgde het nieuws uit Frankrijk voor een tweedeling tussen degenen die, in de woorden van Edmund Quincy van Massachusetts, het zagen ‘als een nieuwe Ster uit het Oosten – de voorbode van vrede en welbehagen op aarde’, en zij die het als ‘een onheilspellende komeet beschouwden, die “uit zijn gruwelijke harenzak pest en oorlog verspreidde”, en zijn goede dan wel kwade invloed zowel over de Nieuwe als de Oude Wereld uitstrooide’. ‘Het nieuws riep angst of vreugde op, al naargelang de ogen die het verloop ervan volgden letten op zaken als leven of dood, in vol vertrouwen of in angst,’ luidde zijn conclusie.

Een opmerkelijk kenmerk van de ontstane kloof was dat de discussie, als je die zo mag noemen, gevoerd tussen mensen met een aanzienlijke intellectuele status, op een nagenoeg volkomen irrationele manier verliep. Terwijl aanhangers van de revolutie zowel de ondeugden als de deugden ervan in poétische en quasireligieuze bewoordingen prezen, reageerden haar vijanden in de taal van de inquisitie.

In zijn Reflections on the Revolution in France (gepubliceerd in 1790) waarschuwde Edmund Burke dat alles wat er in Parijs gebeurde een schending was van fundamentele wetten en de twee steunpilaren van religie en eigendom, waarop de sociale orde in Europa gebouwd was, ondermijnde. De geschiedenis zou aantonen dat zijn voorspelling over de door de revolutionairen ingeslagen weg – die tot eindeloos veel gruwelen en uiteindelijk tot de opkomst van een wrede dictatuur zou leiden – juist was. Maar al lang voor dit zou gebeuren was zijn toon veranderd en ontaardden zijn schimpredes tegen de revolutie in hysterische bombast.

Nog een andere vooraanstaande verdediger van het ancien régime, Joseph de Maistre, een edelman uit Savoie, advocaat, diplomaat en filosoof, opperde een religieuze kijk op de gebeurtenissen. In zijn jeugd was deze vrome katholiek een enthousiast aanhanger van de Amerikaanse Revolutie geweest, en hij verwelkomde zelfs de val van de Bastille, voordat hij zicht kreeg op het kwaad dat erachter schuilging. Hij veroordeelde nu het hele handvest van de Verlichting, en stelde dat God de leiding had over een natuurlijke orde der dingen, dat het verdorven was om die orde te ontkennen en dat het katholieke geloof ‘de moeder was van alle juiste en ware kennis in de wereld’. Hij geloofde dat de achttiende eeuw door het nageslacht zou worden gezien ‘als een van de meest beschamende perioden in de geschiedenis van de menselijke geest’. Wat de Franse Revolutie betreft, die was volgens hem een ‘onverklaarbaar delirium’, ‘een wreedheid’, ‘een schaamteloze prostitutie van de rede’ en een belediging voor de begrippen rechtvaardigheid en deugd. ‘De Franse Revolutie bezit een duivelse aard,’ concludeerde hij, ‘die verschilt van alles wat we tot nu toe hebben gezien en misschien wel van alles wat we nog ooit zullen zien.’

Net als de geschriften van Burke, die in grote hoeveelheden werden verkocht en in de belangrijkste Europese talen werden vertaald, weerspiegelden die van Maistre de gevoelens van velen die de voortgang van de Verlichting met wantrouwen hadden bekeken. Terwijl ze toezagen hoe de zaken zich na 1790 ontwikkelden, werden ze bevestigd in al hun oude bezwaren tegen het werk van Voltaire, Rousseau en andere filosofen uit de achttiende eeuw. Achteraf gezien konden ze in kaart brengen hoe de verspreiding van hun leer geleid had tot de catastrofe die hun wereld had vernietigd.

Terwijl sommigen de gebeurtenissen beschouwden als een ongelukkig proces dat door goddeloze of misleide intellectuelen was gevoed, zagen anderen dit alles in termen van een samenzwering, niet alleen tegen de gevestigde politieke orde, maar ook tegen de ware fundamenten van de Europese maatschappij en beschaving. Voltaire had zijn leven lang op een haast pathologische wijze oorlog gevoerd tegen de katholieke kerk, door hem l’Infame genoemd, ‘de Beruchte’. Zijn invloed was duidelijk te onderkennen in de giftige antichristelijke toon van de revolutie. Enkelen legden niet slechts een verband met de geschriften en de seculariserende invloed van de Verlichting: zo zag Louis de Bonald alles wat er sinds de eerste tekenen van de Reformatie in de vijftiende eeuw was gebeurd als een geleidelijk afglijden naar het ravijn. Anderen grepen nog verder terug en volgden het spoor van verval naar Jan Hus, John Wycliffe en de Lollards.

Er waren ook lieden die erop wezen dat 14 juli, de dag van de bestorming van de Bastille, dezelfde was als de dag waarop Jeruzalem in 1099 tijdens de eerste kruistocht werd ingenomen, wat zou neerkomen op een soort wraak van de mohammedanen. Voor mensen met veel fantasie was de val van het Franse koningshuis het gevolg van ‘de vloek van de tempeliers’, die bijna vijf eeuwen eerder door de koning waren uitgeroeid. De tempeliers bestonden niet meer, maar er bestond een theorie dat de grootmeester van de orde, toen hij in 1314 op zijn executie in de Bastille wachtte, vier vrijmetselaarsloges had opgericht om de opheffing van zijn orde en zijn dood te wreken op de Franse koninklijke familie.

De vrijmetselarij was in het begin van de achttiende eeuw ontstaan in Schotland, verspreidde zich naar alle landen in Europa en groeide snel. Aangezien de beweging intellectuele elites aantrok, bestond het ledental in grote meerderheid uit wereldlijke vrijdenkers, een losse broederschap die zich vagelijk wijdde aan de verheffing van de mensheid door de verbreiding van redelijkheid, onderwijs en humanistische waarden. De leden zaten in groepen in loges, waar ze naar lezingen luisterden en van alles bespraken, van sociale problemen tot de laatste modes in de schone kunsten. Sommigen kwamen bij elkaar om te netwerken; anderen hadden meer zinnelijke interesses, zoals drinken en seks.

Er bestonden ook rituelen, de meeste buitengewoon onnozel, waarvan gezegd werd dat ze middeleeuwse of zelfs Bijbelse wortels hadden. Vrijmetselaars kwamen vaak in tempels, grafkelders of kunstmatig gemaakte grotten bijeen, wat een snufj e occultisme toevoegde, en bij inwijdingsriten werden novieten geblinddoekt en moesten ze plechtige eden afleggen te midden van een verzameling gotische rekwisieten, zoals mantels, dolken, bijlen, brandende komforen en koppen rode wijn die bloed symboliseerden, hoewel er soms ook echt bloed vloeide. Aangezien de loges werden opgericht door groepen individuen in plaats van door een georganiseerd systeem van afvaardiging of volmacht, ontwikkelden ze een duidelijk verschillende stijl. In Frankrijk was de vrijmetselarij over het algemeen sociaal en vaak frivool. In landen als Polen en Rusland ging het meer om het na-apen van Franse modes dan om iets anders. Maar in Duitsland werd ze heel serieus genomen.

Daar weerspiegelde en overlapte ze voor een deel religieuze trends die wilden terugkeren naar een ‘zuiverder’ vorm van christendom en oprecht streefden naar een of andere vorm van spiritualiteit. In 1776 richtte Adam Weishaupt, hoogleraar canoniek recht aan de Universiteit van Ingolstadt in Beieren, een studentengenootschap op, de Orde van de Perfectionisten. Dat was niets ongewoons, want Duitse universiteiten wemelden van dergelijke broederschappen. In 1778 veranderde hij de naam in Orde van Illuminati, en voerde hij graden in, tegelijk met een ingewikkeld systeem van tekens en wachtwoorden. Er bestonden ook synoniemen voor mensen en plaatsen: Beieren was ‘Griekenland’, München ‘Athene’ en Weishaupt zelf was ‘Spartacus’.

In 1780 begon een nieuwe rekruut, baron Adolf Franz von Knigge, alias ‘Philo’, de orde te veranderen, waarbij hij zijn eigen doctrine – alle politieke staten waren onnatuurlijke en perverse scheppingen die zouden moeten worden weggevaagd – aan het genootschap oplegde. Ze zouden moeten worden vervangen door een miasma van wederzijds respect en liefde dat universeel geluk tot stand zou brengen. Dit vermeende wondermiddel voor de kwalen van de wereld lokte grote aantallen aanhangers, en sijpelde ook binnen in het Duitse vrijmetselaarsnetwerk, en vervolgens in dat van Oostenrijk, Bohemen, Hongarije, Noord-Italië en zelfs Frankrijk. Onder de adepten waren Goethe, Schiller, Mozart, Herder en vele andere notabelen.

In 1785 verbood de keurvorst van Beieren de orde, waardoor die een nauwelijks verdiende bekendheid en relevantie kreeg. Er begonnen huiveringwekkende verhalen de ronde te doen over zijn occulte doelstellingen. Een anoniem boek met de titel Essai sur la secte des Illuminés, aan de vooravond van de revolutie in Parijs gepubliceerd, traceerde de oorsprong van de sekte naar de vrijmetselaars, en weidde met duidelijk genoegen uit over zijn initiatierituelen en beproevingen, en beschreef hoe occulte symbolen met het eigen bloed van de noviet op zijn lichaam werden geschilderd enzovoort. Het onthulde dat de illuminati een kasteel buiten Parijs hadden met onderaardse kerkers, waar de leden in werden gegooid die de geheimen van de groep hadden verraden, en die vervolgens werden vergeten. De auteur bevestigde dat de sekte ‘van plan is de geest over te nemen, niet om koninkrijken of provincies te veroveren, maar de menselijke geest zelf’, met het uiteindelijke doel alle tronen en regeringen te vernietigen, gevolgd door de hele maatschappij. De sekte werkt door middel van een netwerk van cirkels in alle landen, waarbij elke cirkel een groep nevencirkels, die hij alle nauwgezet opsomde, controleert, waardoor de lezer de indruk krijgt dat heel Europa alomvattend werd afgedekt. Dit stemde overeen met de mode van het occulte en de fascinatie voor klassieke orfische en Egyptische cultussen, met de ‘mysteriën’ van Eleusis en de Rozenkruisers, en met allerlei soorten geheime genootschappen, waarvan Die Zauberflöte van Mozart het beroemdste voorbeeld.  In Duitsland leidde dit tot het ontstaan van een literair genre, de Bundesroman , waaraan Schiller, Jean-Paul Richter en Goethe bijdragen hebben geleverd. Der Genius (1791-1795), een roman van Carl Grosse, bevat niet alleen veel merkwaardige seksuele activiteiten binnen het kader van de schelmse avonturen van de jonge hoofdpersoon, maar ook betrokkenheid bij een orde die hem dwingt de koning van Spanje te vermoorden. Zulke boeken hielpen het geloof te verspreiden in de alomtegenwoordigheid en almacht van geheime genootschappen, die naar men zegt in het verborgene actief zijn, en een plank vol zogenaamd meer feitelijke publicaties legde een verband tussen die genootschappen en de politiek; dat alles werd voor velen bevestigd door het feit dat het merendeel van de aanstichters van de Franse Revolutie vrijmetselaars waren. Sommigen beweerden dat de ideologische krachtcentrale van de revolutie, de Club des Jacobins, vernoemd naar het voormalige dominicaanse klooster waar ze elkaar ontmoetten, in feite een uitloper van de vrijmetselarij was. ‘De politieke comités waaruit de Club van Jakobijnen is ontstaan, hadden hun wortels in het illuminisme dat in Duitsland is begonnen en dat helemaal niet is uitgedoofd – de leden zijn ondergronds actief en zijn steeds gevaarlijker geworden,’ schreef Leopold Alois Hoffmann. Hij wees erop dat Johann Christoph Bode, een van de leidende illuminati, Parijs had bezocht twee jaar voor het uitbreken van de revolutie, om te overleggen met de vrijmetselaars, en dat de vooraanstaande revolutionair markies de Mirabeau Berlijn had bezocht, kort na de val van de Bastille.

Toen koning Gustav III van Zweden op 16 maart 1792 op een gemaskerd bal werd doodgeschoten, was het voor veel Europeanen duidelijk wie dat had gedaan. Later dat jaar, toen de hertog van Brunswijk, een voormalige vrijmetselaar, die het commando had over de koninklijke troepen die Frankrijk waren binnengevallen om het revolutionaire leger te verpletteren, zich terugtrok na de onbesliste slag bij Valmy, waardoor het revolutionaire leger zegevierde, was het opnieuw duidelijk dat hij een occult bevel van bovenaf had opgevolgd. Een stroom sensationele ‘onthullingsliteratuur’ had het over zwarte kunsten, geheimen, betoveringen en gif, en over hun aandeel in de onverwachte dood van verschillende koningen. De schrijvers verdedigden zichzelf tegen de aanval van vaagheid door te suggereren dat hun eigen leven gevaar liep, wat voedsel gaf aan de almaar populairder wordende mythe over de alomtegenwoordige en almachtige ‘sekte’. Terwijl veel boeken en pamfletten slechts de bekeerlingen overtuigden, werd een groter leespubliek overreed door een gezaghebbend en oorspronkelijk werk van de voormalige jezuïet abb. Augustin Barruel.

Barruel had de Verlichting in gedrukte vorm al sinds 1781 bestreden, en hield die kritiek vol in de eerste jaren van de revolutie, die hij zag als een straf van God voor de Fransen, omdat die haar valse filosofie hadden getolereerd en omarmd. In 1792 vluchtte hij naar Engeland, waar hij zijn tweedelige Mémoires pour servir a l’histoire du Jacobinisme had gepubliceerd. Het werd binnen een jaar zes keer herdrukt en in alle belangrijke Europese talen vertaald, en bleef tientallen jaren in druk. De tekst van Barruel had een gezaghebbende toon die geen tegenspraak gedoogde, en zijn beweringen klonken overtuigend, hoe extravagant en onwaarschijnlijk ook.

In de openingszin verklaart hij dat de Franse Revolutie het product was van een omvangrijke samenzwering, onder aanvoering van een sekte die onlangs de naam jakobijnen had aangenomen, en die als doel had alle bestaande tronen en altaren omver te gooien en anarchie te ontketenen. Volgens hem ging het om 300.000 actieve leiders die nog eens 2 miljoen andere mensen manipuleerden. ‘Binnen deze Franse Revolutie was alles, zelfs de meest verschrikkelijke misdaden, voorzien, beraamd, berekend, besloten en bepaald,’ stelde hij. ‘Alles was het gevolg van het diepste verraad, aangezien alles werd voorbereid en uitgevoerd door mannen die als enigen weet hadden van de samenzwering die al lang binnen de geheime genootschappen was gepland, en die wisten hoe ze de omstandigheden moesten cre.ren die gunstig voor hun plannen waren.’

Barruel geloofde dat het allemaal begonnen was aan het eind van de jaren twintig in de achttiende eeuw, met Voltaire, die de steun kreeg van Friedrich II van Pruisen en D’Alembert en Diderot voor zijn karretje spande, die de Encyclopédie samenstelden, die onder het mom van wetenschappelijke kennis en redelijkheid de religie, de sociale rangorde en de meeste menselijke instituties ondermijnde. De volgende stap was de ontmanteling van de jezu.eten, wat tot stand werd gebracht door de manipulatie van de publieke opinie en van staatslieden. Volgens Barruel waren de welwillende vrijmetselaars, die zo betrokken waren bij het menselijk welzijn, de ‘nuttige idioten’ die met hun pseudoreligieuze dwaasheden meehielpen de maatschappij te destabiliseren door valse hiërarchieën te scheppen en bestaande instituties te ondergraven, vooral de kerk. De illuminati hadden een duidelijker doel, en de filosofie van Weishaupt was gevaarlijker. Barruel omschreef het aldus: ‘Gelijkheid en vrijheid zijn fundamentele rechten die de mens, in zijn oorspronkelijke en primitieve staat, van de natuur kreeg; de eerste klap die aan gelijkheid werd uitgedeeld, was door “bezit”; de eerste aanval op vrijheid was afkomstig van de politiek en regeringen; de enige fundamenten voor zowel bezit als regering zijn de religieuze en burgerlijke wetten; wil men de mens derhalve weer terugvoeren naar zijn primitieve rechten op gelijkheid en vrijheid, dan moet men beginnen met het vernietigen van de religieuze en burgerlijke samenleving, en dat voltooien door het bezit af te schaffen.’

Volgens Barruel waren de illuminati goed georganiseerd en intelligent. Om te zorgen dat ze nuttige bekeerlingen maakten, verzamelden ze informatie over invloedrijke personen, en hielden nauwgezet bij wat hun voorkeuren waren en wat niet, hun favoriete gerechten, seksuele gewoonten enzovoort, opdat ze op de meest adequate manier benaderd konden worden, om hen te kunnen manipuleren en zelfs te chanteren. Ze hadden ook het plan vrouwen in hun orde op te nemen: een groep deugdzame dames van stand, die zouden meehelpen om bekeerlingen te maken en geld binnen te halen, en een groep verdorven vrouwen en prostituees, die ter beschikking van de leden zouden staan.

Barruels boek was niet bedoeld als geschiedschrijving; het was een klaroenstoot die daden eiste. Hij waarschuwde dat ‘de Franse Revolutie niet veel meer is dan een eerste krachtmeting voor de sekte; deze samenzwering heeft betrekking op de hele wereld.’ Men bereidde zich al voor op de omverwerping van andere landen, stuurde afgezanten op pad en gebruikte netwerken van vrijmetselaars in de landen die de Fransen wilden binnenvallen – hij beweerde dat er in Londen vijfhonderd aanhangers waren die op een teken wachtten om in actie te komen. ‘Het is nog steeds mogelijk deze sekte, die gezworen heeft om jullie God, jullie vaderland, jullie gezinnen en het hele bouwwerk van jullie gemeenschappen te vernietigen, te verpletteren,’ waarschuwde hij zijn lezers, maar er was weinig tijd meer en de mensen moesten de dreiging manmoedig onder ogen zien. ‘Het gevaar staat vast, het is er voortdurend, het is verschrikkelijk en bedreigt jullie allemaal,’ donderde hij. De anglicaanse priester en vermaarde astronoom Francis Wollaston, lid van de Royal Society, was het volledig met hem eens. ‘Aan de beginselen van vrijheid en gelijkheid van de vroege vrijmetselarij, aan de heftige rancune van Voltaire en zijn zelfbenoemde filosofen tegen Jezus Christus en zijn geloof, aan de democratische principes van Rousseau en zijn visionaire ontwerpen over de oorsprong van alle regeringsvormen’ hadden de jakobijnen iets toegevoegd: ‘de woede van Weishaupt en zijn zogenaamd meer verlichte volgelingen, die tegen alle koningen waren, of beter gezegd: tegen iedereen die getooid met welke titel ook enig gezag over mensen uitoefende.’

Als ontwikkelde lieden al op zulke totaal tegenstrijdige manieren over deze gebeurtenissen oordeelden, dan was het nauwelijks verbazingwekkend dat de onwetenden en de mensen op het platteland nog veel extremere opvattingen hadden. Terwijl sommigen de nieuwe wachtwoorden van vrijheid en soevereiniteit van het volk omhelsden alsof het om een nieuwe religie ging, zagen anderen deze in het licht van een duivelse verdorvenheid die alles bedreigde wat hun dierbaar was. Geruchten en fantasie toverden verschrikkingen tevoorschijn, die een historicus onlangs omschreef als ‘het achttiende-eeuwse equivalent van een invasie uit Mars’. Het woord ‘jakobijn’ voegde zich bij ‘vrijmetselaar’ en ‘illuminato’ in het gruwelkabinet van de conservatieven, en werd het standaardwoord voor iedereen die lid was van de ‘sekte’ – een term die steeds algemener gebruikt werd. Onbewezen veronderstellingen kregen door blinde angst een stempel van geloofwaardigheid, en in het overheersende psychologische klimaat had elke toevallige samenloop van omstandigheden bewijskracht: op zeker moment verandert angst in een collectieve pathologische toestand die nergens meer bewijzen voor nodig heeft. In de denkwereld van conservatieven zette zich de krachtige overtuiging vast dat er een wijdvertakt complot bestond. De idee van een occult genootschap dat bezig was de bestaande sociale orde omver te werpen, maakte zich meester van de verbeelding en zou die nooit meer verlaten.

Nadat hij de maatschappij had gealarmeerd, deed Barruel suggesties over hoe het gevaar aangepakt moest worden. Aangezien de jakobijnen ‘een geheime oorlog van bedrog, misleiding en duisternis’ tegen de geest voerden, hoorden de mensen te reageren met ‘wijsheid, waarheid en licht’. En aangezien ze ‘goddeloosheid en verwording’ op het geloof loslieten, dienden de gelovigen te reageren met zedelijkheid en deugdzaamheid, en moesten ze ernaar streven de vijand te bekeren. ‘De jakobijnen voeren tegen prinsen en overheden een oorlog van haat over de wet en de maatschappij, een oorlog van razernij en verwoesting. Ik wil dat jullie daartegen gemeenschapsgevoel, menselijkheid en conservatisme in stelling brengen,’ schreef Barruel.

Prinsen en regeringen sloegen dit advies in de wind. Hun reactie op de gebeurtenissen die zich in Frankrijk afspeelden, werden bijna geheel door angst bepaald, en angst voedt irrationeel gedrag en agressie. De opvatting dat er naast herkenbare bedreigingen andere zijn die in het donker op ons loeren, is een ideale voedingsbodem voor angst. De noodzaak om deze onbekende gevaren aan het licht te brengen en te benoemen wordt dan dwangmatig. Hierdoor, en vanwege de dwang om de tegenaanval te openen op de bron van hun angst, zou hun beleid nagenoeg de hele komende vijftig jaar beheersen, en het zou een beslissende rol spelen bij de verandering van de manier waarop Europese samenlevingen zichzelf organiseren de komende veranderingen in de Europese samenlevingen.

 

 

 


Nieuws

Blader door onze najaarsaanbieding

De mooiste non-fictie lees je ook dit najaar weer bij Balans: of je nu houdt van geschiedenis of juist gericht bent op actualiteit, we hebben voor ieder wat wils.

Zo kun je in oktober uitkijken naar het prachtige en aangrijpende Dagboek van een invasie van Oekraïense Andrej Koerkov, waarin hij de schrijnende situatie in zijn …

Lees verder