Leesfragment

Leesfragment: ‘De wintertuin’

  • 16 april 2018
  • 3m

Leesfragment uit De wintertuin van Jan Konst

 

Hoofdstuk 1

 

Een stoomtrein om precies te zijn

18 maart 1871 – Otto von Bismarck, de eiserne Reichsgründer, wordt de eerste Duitse rijkskanselier.

1 november 1874 – Het afgelegen Seifhennersdorf krijgt een eigen aansluiting op het spoornet.

1 december 1884 – Voor werknemers wordt een verplichte ziekte­kostenverzekering ingevoerd.

5 december 1894 – Keizer Wilhelm II wijdt in Berlijn het nieuwe Rijksdag­gebouw in.

7 mei 1896 – In Meißen-Cölln gaat de Hamburger Hof, het grootste hotel-restaurant in de stad, open.

 

Het klinkt weinig geëmancipeerd: een Herrenzimmer, een kamer waarin vrouwen kennelijk niet gewenst zijn. Wanneer je oude meubelcatalogi opslaat, zie je wat er allemaal nodig is om zo’n herenvertrek in te richten. Het is nogal wat: een bureau met bijpassende stoel, een hoge tafel voor het kaartspel en een grote boekenkast. Verder zijn een paar clubfauteuils standaard, evenals een comfortabele bank, meestal met een ombouw waarin zich een klein kabinet voor rookgerei bevindt.

Je koopt deze meubelstukken als ensemble. Een Berlijnse handelsfirma biedt rond 1910 herenkamers aan in verschillende historiserende stijlen. Daaronder het romaans geïnspireerde ameublement ‘Erich’ of het barokke ‘Wolfgang’, typisch Duitse eigennamen die aan de marketingstrategie van het Zweedse Ikea doen denken. Goedkoop is de inrichting van die ene, voor het mannelijke bevolkingsdeel bedoelde kamer niet. Volgens de catalogus van het meubelhuis in de Duitse hoofdstad kom je algauw aan 800 mark, een bedrag waarvoor een geschoolde arbeider in die tijd een halfjaar moest werken.

In mijn werkkamer staat een deel van de Herrenzimmer van Emil Grunewald. Ik heb me lang met hem en zijn levensgeschiedenis beziggehouden. Emil wordt nog geen vijf maanden na de oprichting van het Duitse Keizerrijk geboren als oudste zoon van Christian en Johanna Grunewald. Zijn vader is groentekweker in het Saksische Seifhennersdorf, een onbetekenend plaatsje aan de Oostenrijks-Hongaarse grens. De familie leeft van de opbrengst van een akker waarop aardappels, kool en wortels worden verbouwd. Ook is er een kleine boomgaard. Honger hoeft Emil niet te lijden, maar de omstandigheden waaronder hij opgroeit zijn eenvoudig.

 

Vrijwel gesloten diagonalen

Met mijn schoonmoeder Brigitte bezoek ik zijn geboortedorp. We hebben een historische opname van zijn ouderlijk huis bij ons en willen weten of het de tand des tijds heeft doorstaan. Het gaat om een voor de streek typisch Umgebindehaus. Dat is een deels in vakwerk uitgevoerd boerenhuis met als bijzonderheid dat de dragende houtconstructie zich aan de buitenzijde van de gevel bevindt. Brigitte is slecht ter been, zodat we langzaam door de straten van het kleine oord vorderen. Op zeker moment denken we voor het huis te staan en aandachtig vergelijken we de façade op de foto met de werkelijkheid voor onze ogen.

Al snel gaat de voordeur open en worden we met wantrouwen opgenomen. Het ijs breekt als Brigitte uitlegt waarom we bleven staan. We raken in gesprek met een misschien veertig jaar oud paar, een man op blote voeten die zijn haar in een staartje draagt, en een kleine, sierlijke vrouw in vrijetijdskleding. Ze verdroegen, vertellen ze ons, het geldbeluste München niet meer en kochten voor een appel en een ei het huis in het door iedereen vergeten Seifhennersdorf. Typische Aussteiger, mensen die niet meer willen meelopen in de tredmolen van de globale werkelijkheid.

We krijgen met de hand gezette filterkoffie en buigen ons samen over de foto. Bij een nadere beschouwing blijkt dat we het huis waarin Emil opgroeide toch niet gevonden hebben. De gastheer bespeurt onze teleurstelling en biedt een rondleiding door zijn afgelegen rijk aan. We zien kamers die met kartonnen dozen en allerhande huisraad volgestouwd zijn, een gammel trappenhuis en vochtige kelders. Hoewel het geen klein huis is, maakt het met zijn lage plafonds en de kale houten deuren een schamele indruk. Bij het verlaten van een kamer moet ik steeds bukken. Zou dat ook zo geweest zijn in het huis waarin de man aan wiens bureau ik werk zijn eerste levensjaren doorbracht?

Als Emil negentien is beschrijft hij zijn kindertijd in een blauw cahier met ongelinieerde pagina’s. Het belandde in de kelders van Weinböhla. De negentiende-eeuwse schoonschrijfkunst vermag heel wat. Het handschrift van de jongeman, die in het destijds gangbare Kurrentschrift schrijft, is van een pijnlijke regelmaat. Alle letters werden in een hoek van 45 graden op het papier gebracht. Daardoor vormen de stok- en staartletters, de letters dus die boven of onder de regel uitsteken, vrijwel gesloten dia­gonalen. Op enige afstand lijkt het, alsof er op een bladzijde van linksonder naar rechtsboven lijnen lopen.

 

Met jeugdige overmoed

Emil bericht over een gelukkige jeugd. Van zijn zesde tot veertiende levensjaar bezoekt hij de dorpsschool, waar de jongen opvalt als een ijverige en leergierige leerling. Zijn ouders ondersteunen hem waar ze kunnen. Tijdens de laatste schooljaren mag hij zelfs aanvullend onderwijs volgen. Om de kosten te dragen ontzeggen ze zich het beetje luxe dat de verkoop van groente en fruit hun brengt. Met nauw verholen trots schrijft de tuinderszoon hoe de wens leraar te worden vroeg bij hem postvat. ‘In de eerste klas,’ heet het, ‘deed zich een voorval met een voorspellende betekenis voor. Op de aan ons jongens gerichte vraag “Wat willen jullie later worden?” antwoordde ik met jeugdige overmoed: “Schoolmeester!”’

Emil karakteriseert zichzelf als Schulbube auf dem Lande, een echte jongen van het land die zich thuis voelt op de velden en in de bossen rond Seifhennersdorf. Als het plaatselijke riviertje aan het einde van een lange winter aanzwelt, proef je het ontzag waarmee hij alles in zich opneemt: ‘Het was een schouwspel van een wilde, romantische schoonheid. Toen de lente kwam, barstte het ijs van de Mandau. Het wassende water van het anders zo rustige beekje dreef machtige ijsschollen voor zich uit.’ Ook de overstromingen van juni 1880 in het Duits-Boheemse grensgebied maakten een onuitwisbare indruk op de scholier.

In februari 1885 slaagt Emil voor het toelatingsexamen aan het Königliche Lehrerseminar in Löbau, een middelgrote provinciestad, vijfentwintig kilometer verderop. In de loop van de negentiende eeuw ontstaan overal in Duitsland kweekscholen voor onderwijzers. Ze moeten het niveau aan de Volksschule verbeteren, de achtjarige basisschool die voor alle kinderen verplicht is. Om tot onderwijzer te worden opgeleid hoef je geen middelbare school te doorlopen. Het is dus niets uitzonderlijks dat Emil op zijn veertiende aan een pedagogische vervolgopleiding begint. Groot zijn de veranderingen (‘eine neue Lebensweise’) in zijn persoonlijk leven. Ze worden gesymboliseerd door het nieuwe schoolgebouw.

In de plaats van het vertrouwde dorpsschooltje komt een pronkerig neobarok gebouw met grote, licht-doorstraalde klas­lokalen. Van heinde en ver reizen in april 1885 meer dan honderd nieuwe leerlingen hierheen, in gespannen afwachting van wat de jaren die voor hen liggen zullen brengen. Ze worden begeleid door hun ouders, soms door allebei, soms alleen door de vader of de moeder. Net als de zonen hebben die hun beste kleding aangetrokken. Emil heeft halfhoge leren schoenen met kniekousen. Zijn wollen broek komt tot net over de knie. Hij draagt een wit overhemd met een vlinderdas en daaroverheen een hoog sluitend zwart colbertjasje. Van zijn vader kreeg hij een nieuwe pet.


Leesfragment

Leesfragment ‘Brieven aan God en andere mensen’ van Paul van Vliet

aan Mijn vader

Lieve Vader,

Wij zeiden nooit Pap of Pappa, maar Vader. De zusjes noemden je in een bui van vertrouwelijkheid nog wel eens Paps, maar ik vond dat kinderachtig. De tijd dat ik je echt kon schrijven is voorbij. Je bent in 1991 gestorven.

Vijf dagen voor je dood zat je nog bij mij in het Circustheater. Dat zal …

Lees verder