Leesfragment

Leesfragment ‘Dokter XTC’

  • 17 januari 2020
  • 2m

Een afrekening op klaarlichte dag

De Telegraaf van vrijdag 21 mei 1993 lag nog dubbelgevouwen op tafel. Ze staarde die ochtend een beetje wazig voor zich uit, zegt de blonde vrouw tegenover me. De dag ervoor had zij rond een uur of zes een onverklaarbare zware aanval van hoofdpijn gekregen. Al is ze niet bijgelovig, achteraf stelde ze vast dat dít het fatale moment moet zijn geweest. Ze was nog in Antwerpen voor haar werk in de reclamewereld en probeerde rond dat tijdsstip haar vriend Danny Leclère op zijn autotelefoon te bereiken. ‘Tot drie keer toe, maar hij nam niet op.’ Ze had met hem afgesproken voor het weekend.

Ik noem haar Karin Janssens. Ze ziet er verzorgd en arrivé uit en ze wil liever niet met haar echte naam in dit boek. Deze episode in haar leven heeft ze al lang achter zich gelaten, vertelt ze. Ik spreek haar thuis en vanaf haar eettafel kijk ik uit op het groen rond Rotterdam. Haar leeftijd is moeilijk te schatten. Ze oogt veertig, maar de geschiedenis leert dat ze ouder moet zijn.

Karin keek naar de helft van een foto op de voorpagina van de ochtendkrant, zegt ze. Ze zag de wielen van een auto. Het kenteken was duidelijk herkenbaar: YV-77-BF. Dat nummer… ineens drong het tot haar door: dat is Danny’s auto! Ze klapte De Telegraaf meteen helemaal open: ‘Weer liquidatie Maffia’, stond boven de foto van Leclère’s donkerblauwe Fiat Croma. ‘Een nog onbekende bestuurder is gisteren, op Hemelvaartsdag 20 mei 1993, op klaarlichte dag beschoten,’ las ze.

De verslaggevers Joost de Haas en John van den Heuvel schreven dat de Amsterdamse politie in het duister tastte over de identiteit van de man die rond zes uur die dag werd vermoord.

Karin was verbijsterd.

De ochtend ervoor had ze afscheid van Danny genomen. Ze had bij hem geslapen op zijn etage aan de Daniël Defoelaan 44 in Amsterdam. ‘Toen ik richting Antwerpen vertrok, kondigde hij aan dat hij ’s middags naar zijn jongens zou gaan. Waar die zaten weet ik niet precies. Hij liet over zijn zaken nooit veel los tegenover mij. Alleen als we in gezelschap met zijn zakenrelaties waren, ving ik wel eens wat op. Hij moet rond de tijd dat hij werd doodgeschoten op weg naar huis zijn geweest, waar ik hem de dag erna zou treffen.’

Danny Leclère had zakengedaan in Amsterdam-Zuidoost, zou blijken. Vervolgens was hij via de oprit S113 naar de ringweg A10 gereden. Zijn moordenaar schoot eerst de band van zijn auto aan flarden. Daarna mikte de killer op het zijraam. Talloze automobilisten zagen de afrekening met de bestuurder in de blauwe Fiat Croma gebeuren, maar stopten niet. Het slachtoffer was op slag dood. In zijn lijf zaten acht kogels. De daders scheurden weg en zijn nooit achterhaald.

De moord op Leclère was de zevende liquidatie binnen elf weken.

 

Een trend

De criminele afrekeningen in het Amsterdam van 1993 lijken op het geweld in de huidige bloedige mocromaffia-oorlog. Net als nu, vonden er in dat jaar in het wilde weg liquidaties plaats, waarbij het niet altijd even duidelijk was wie nu wie naar het leven stond en waarom. Soms ging het om wraak, soms om de hegemonie in de drugshandel. De Amsterdamse moordbrigade onder leiding van Cees Hageman draaide destijds overuren. De oud-teamchef nu: ‘Naast die afrekeningen waren er ook nog de vele andere moorden, zoals op oude vrouwtjes die werden bestolen. Het klopt dat het aantal doden bijna niet bij te houden was. Het werk liep ons over de schoenen.’ Hageman bevestigt wat nadien ook de cultureel antropoloog Mattijs van de Port vaststelde. Hij deed als eerste wetenschapper onderzoek bij de politie naar liquidaties in Nederland. Van de Port legde vast hoe er binnen de politie werd gedacht over het oplossen van afrekeningen: zulke moorden stonden onder aan de prioriteitenlijst. Daar wees de academicus een aantal redenen voor aan. Een onderwereldmoord bleek allereerst notoir lastig op te lossen. Met de dood van een gangster kon de recherche bovendien soms eveneens lastige andere onderzoeken tegen zo’n persoon snel afsluiten. Cynisch klonk het dan: ‘Opgeruimd staat netjes. Als ze elkaar uitmoorden, scheelt ons dat werk.’

Ook de maatschappelijke onrust die over een onderwereldmoord ontstond was vrijwel te verwaarlozen, volgens Van de Port. Het criminele milieu was voor de brave burgers gewoonlijk een ver-van-mijn-bedshow.

Toch uitte de politie in 1993 in de media – net zoals nu – wel degelijk haar zorgen over de dodelijke strijd in het criminele milieu en de gruwelijke trend die leek ontstaan. De manieren waarop al deze liquidaties werden uitgevoerd kwamen met elkaar overeen. De toenmalige hoofdstedelijke recherchechef en latere hoofdcommissaris Bernard Welten sloeg er die zomer alarm over in De Telegraaf: ‘In negen van de tien gevallen weten we uit welke hoek de moordopdracht komt, maar is het spoor naar de feitelijke dader te goed afgedekt.’ Welten stelde dat er in de onderwereld behoorlijk wat geld werd uitgegeven voor het uitvoeren van een liquidatie. Dat was nodig om te voorkomen dat de politie erachter zou komen wie de trekker had overgehaald. ‘Het spoor naar de hitman wordt afgedekt via stromannen, waardoor het ontzettend moeilijk wordt om bij de feitelijke dader te komen.’

Dat leek dus ook het geval bij de moord op Danny Leclère.


Nieuws

Eerste exemplaren ‘Stilte op het Binnenhof’ uitgereikt bij Nieuwspoort

Een bijzondere middag woensdag 9 september bij Nieuwspoort in Den Haag: auteurs Laurens Boven en Sophie van Leeuwen presenteerden hun boek ‘Stilte op het Binnenhof’ en overhandigden de eerste exemplaren aan Hugo de Jonge, vicepremier en minister van VWS, Hans de Boer, voorzitter VNO-NCW en Joost Vullings, politiek commentator en voorzitter van de Parlementaire Pers …

Lees verder