Leesfragment

Leesfragment Een liefde in Dresden

  • 6 februari 2019
  • 2m

Dresden, 13 februari 1945

 

Hilde vertelt:

 

Het is 22.00 uur (meestal liggen we dan al in bed) als plotseling de sirenes beginnen te loeien. We pakken gauw onze spullen en rennen de trappen af naar de schuilkelders onder het huis. Mijn dochter Therese gaat nog een keer terug naar boven om het rode tasje te halen met al onze papieren en documenten erin, die we toevallig net hebben bekeken. Terwijl ik in het trappenhuis op haar wacht, zie ik door de lichtkoepels dat het buiten plotseling helemaal licht is.

We horen ook bommen inslaan en ik ben bang dat er misschien brandbommen op het dak zijn gevallen. Uit alle appartementen zijn de bewoners al de kelder in gevlucht.

Weer horen we het geluid van inslaande bommen, dan is er een korte pauze. Therese en ik gaan naar de ingang van de kelder, op dit late uur lijkt het alsof het buiten midden op de dag is. Alles is felverlicht en we zien hoe honderden lichtkogels door de wind meegenomen worden. Er staat iets verschrikkelijks te gebeuren.

Na een paar minuten horen en voelen we enorme inslagen. We hebben de schuilkelder nog niet bereikt wanneer er een bom op ons huis valt. Het is meteen donker en de lucht is vol met kalk, die ons de adem beneemt. Door een volgende dreun worden de deuren uit hun sponningen geslagen en daardoor komt er ineens frisse lucht naar binnen en kunnen we weer ademen. Ik ben in de keldergang voor de schuilkelder gebleven en Therese en onze huishoudster Mia staan bij de deur naar de binnenplaats, ook nog buiten de echte schuilkelder. Therese roept: ‘Mama, mama!’ Ik kruip over een berg tegels naar haar toe; het gaat maar door, knal na knal en daartussen geloei, gesuis en andere herrie. Mia kijkt me met angstige ogen aan.

Plotseling hoor ik iemand roepen: ‘Hier ligt buurvrouw Peppelmann, ze kan niet weg!’ Maar die blijft zelf heel kalm en zegt: ‘Laat me hier maar liggen tot het wat rustiger is’, waardoor ik me helemaal niet realiseer dat er iets ergs met haar is gebeurd. Kort daarop blijkt dat het plafond van de schuilkelder en van de andere kelder waar we allerlei spullen hebben opgeborgen, is ingestort. Alle mensen in de schuilkelder zijn eronder bedolven. Mevrouw Peppelmann stond op dat moment naast de ingang. Nu liggen haar benen onder een zware tafel en haar bovenlichaam steekt uit de deuropening de voorkelder in. Iemand rent de straat op en roept om hulp. Al gauw komen er een paar mannen met grote haken waarmee ze proberen de mensen vanonder het puin te bevrijden.

Opeens begin ik verschrikkelijk te trillen. Half verdoofd door alle bominslagen dring ik erop aan dat wij zo snel mogelijk naar buiten moeten zien te komen. Dat lukt via de portierswoning en eenmaal op straat zien we dat er overal branden woeden. Het gebouw naast ons is helemaal niet beschadigd maar voor de hoofdingang van ons huis ligt een enorme hoop puin, de helft van het gebouw is weggereten; waar eens het dak van ons appartement was, zien we alleen nog maar de helverlichte lege lucht…

Therese weet toch nog haar fiets uit de kelder te halen en bij toeval vindt ze daar ook het rode tasje, dat ze in de verwarring was kwijtgeraakt.

De spullen die in onze kelder staan halen we later wel op, tenminste, als ze er dan nog zijn.

Therese, onze huisgenote Christa, Mia en ik proberen een open plek te bereiken waar we buiten het bereik van de vlammen zijn. Doelloos lopen we heen en weer door de straten, overal wordt de weg versperd door een enorme vuurzee.

Therese wil alleen maar weg en zegt: ‘We moeten naar tante Henny gaan om te kijken of ze nog leeft.’


Nieuws, Voorpublicatie

VOORPUBLICATIE ‘Onuitwisbaar’ – Edward Snowden

Op 19 mei 2013 verliet Snowden met vier laptops en wat kleren voorgoed zijn huis op Hawaii, een briefje achterlatend voor zijn vrouw dat hij even voor werk op pad moest. Met cash geld kocht hij een ticket naar Tokio en vandaar vloog hij door naar Hongkong. Daar sloot hij zich op in een hotelkamer, …

Lees verder