Leesfragment

Leesfragment ‘Geld, geloof en goede vrienden’

  • 16 januari 2023
  • 2m

Dokter natuur

Met het volbouwen van de Plantage ging Amsterdam in tegen een internationale trend. Andere steden creëerden rond deze tijd juist stadsparken, hoewel ook daar de bevolking groeide en de druk groot was om lege plekken vol te bouwen. Maar bij het idee van een moderne stad hoorde een stadspark, net zo goed als iconische overheidsgebouwen en prestigieuze musea.

In 1858, het jaar dat de stad Amsterdam de Plantage feitelijk opgaf als ruimte voor stadsnatuur, besloot het stadsbestuur van New York juist om met een groot gebaar het Central Park aan te leggen. Een belangrijk voorbeeld voor dit enorme stadspark was het Bois de Boulogne in Parijs. Dat was al in 1852 omgebouwd tot een groot park. Van Eeghen had er meermaals met de koets doorheen gereden. Ook de stadsregering Van Brussel maakte rond deze tijd plannen voor een modern park, het Ter Kamerenbos. Landschapshistorica Sonja Dümpelmann verklaart de aanleg van stadsparken in deze periode vooral vanuit de groeiende zorgen om de volksgezondheid. Zoals ook natuurbeschermers Heimans en Thijsse schreven: ‘Geen betere dokter dan de natuur, al is het maar een park.’ Parken werden in de negentiende eeuw vaak vergeleken met de longen in het lichaam van de stad: een noodzakelijke voorwaarde voor de bevolking om te kunnen ademen. De industrialisatie ging gepaard met grote luchtvervuiling en overbevolking, terwijl in onhygiënische arbeiderswijken veel ziekten heersten. De meeste artsen gingen ervan uit dat kwalijke dampen de belangrijkste bron van epidemieën waren. Stadsparken zagen zij als een belangrijke remedie, omdat deze hier tenminste enige schone, gezonde lucht tegenover konden stellen.

In die zin was de oprichting van het Vondelpark een natuurlijk vervolg op de Vereeniging voor Ziekenverpleging, waar Van Eeghen nog steeds in het bestuur zat. Via die vereniging ontmoette hij artsen en verpleegsters, van wie hij leerde over het belang van schone lucht. Dankzij bevriende artsen als Heije, Tilanus en Voorhelm Schneevoogt was Van Eeghen beter dan andere zakenlieden op de hoogte van het belang van stadsnatuur voor de volksgezondheid. Bovendien wist hij dat zij hem zouden helpen bij het vinden van zowel medestanders als financiers voor de oprichting van een groot stadspark.

Bij de aanleg van parken in de negentiende eeuw speelde volgens Dümpelmann naast oprechte bezorgdheid om de volksgezondheid ook het economische belang een rol. Cynisch gezegd: een gezonde arbeider is productiever dan een zieke. De investering in een stadspark, ogenschijnlijk een luxe, zou zo op de lange termijn wel eens geld kunnen opleveren. Daarnaast wijst Dümpelmann op de opmars van civic boosterism (stedelijke opschepperij) in de tweede helft van de negentiende eeuw. Ook dat had een economische component. Een mooi park was een plek om te zien en gezien te worden, een plek om zelfs in het buitenland over op te scheppen, een plek om toeristen mee te lokken. Het was een van de landmarks waarmee een stad kon bewijzen hoe modern ze was, evengoed als met opvallende gebouwen, musea of boulevards.

De oprichters van het Vondelpark benadrukten ook een belang van de aanleg van een stadspark dat Dümpelmann niet noemt, misschien omdat het specifiek Hollands was. Van Eeghen c.s. wilden het voor de stedelijke elite aantrekkelijker maken om (een deel van) de zomer in Amsterdam te verblijven. Hoe schoner de stadslucht en hoe meer mogelijkheden om in Amsterdam te wandelen en paard te rijden, hoe minder de noodzaak om met het hele gezin maandenlang de stad uit te vluchten naar een buitenverblijf. Als het zou lukken om de rijken ’s zomers langer in Amsterdam te houden kon uiteindelijk de hele stadseconomie daarvan profiteren. Dat was voor een zakenman als Van Eeghen geen onbelangrijk argument. Een prominent stadspark was op die manier niet alleen een bewijs, maar ook aanjager van modernisering.

Voor een Van Eeghen was het de normaalste zaak van de wereld om de zomer in een aangenaam buitenhuis in de natuur door te brengen. Aanvankelijk waren die buitenhuizen in Heemstede en Breukelen, relatief dicht bij Amsterdam. Maar na de aanleg van de spoorweg naar Arnhem in 1845 was ook de Veluwe een stuk bereikbaarder geworden. Dankzij zijn vriend Ottho Heldring leerde Van Eeghen delen van Gelderland kennen, waar de natuur een stuk ongerepter was dan in de omgeving van Amsterdam. In 1850 bracht hij met Cato en de kinderen een maand door in Oosterbeek, een schilderachtig dorp in de heuvels bij Arnhem. Hij werd gegrepen door het dorp en zijn omgeving. In 1863 kocht hij er een groot landhuis, dat hij al een paar zomers had gehuurd: de Pietersberg. Het statige, witte huis lag op een heuvel met uitzicht over de wijde omtrek. Vanaf dat moment had hij zijn eigen berg, waar hij iedere zomer met het hele gezin naartoe ging. Hij ontving er ook allerlei gasten, onder wie de schrijvers Jacob van Lennep (1802-1868) en Nicolaas Beets. In de omgeving kon hij zoveel wandelen, paardrijden en koetstochtjes maken als hij maar wilde. Maar hij wist dus ook wat al die gewone Amsterdammers allemaal misten.

 

Verder lezen? Bekijk Geld, geloof en goede vrienden 


Nieuws

Blader door onze voorjaarsaanbieding 2023

Blader nu door onze voorjaarsaanbieding 2023 en ontdek welke mooie non-fictietitels er voor komende lente op de planning staan.

Zo kun je je verheugen op het geweldige Oorsprong van Leah Hazard, waarin deze Britse verloskundige ons op ongeëvenaarde wijze kennis laat maken met het orgaan waar we allemaal vandaan komen. Of Hoog spel, de langverwachte en onthullende politieke biografie die …

Lees verder