Leesfragment

Leesfragment: Het zoutpad

  • 9 januari 2019
  • 2m

1 Stof van het leven

 

Ik zat onder de trap toen ik besloot te gaan wandelen. Op dat moment had ik er nog niet bij stilgestaan hoe het was om 1014 kilometer te lopen met een rugzak op mijn rug. Ik had geen idee of ik me dat kon wel veroorloven, wist niet dat ik bijna honderd nachten wild zou kamperen, of wat ik daarna zou gaan doen. Ik had de man met wie ik al tweeëndertig jaar samen was, niet verteld dat hij met me mee ging.

Nog maar een paar minuten daarvoor had het een goed idee geleken ons onder de trap te verstoppen. Om negen uur die ochtend begonnen de mannen in het zwart op de deur te bonken, maar we waren er niet klaar voor. We waren niet klaar om los te laten. Ik had meer tijd nodig: nog een uur, een week, een leven. Er zou nooit tijd genoeg zijn. Dus hurkten we samen onder de trap, dicht tegen elkaar aan, en fluisterden als bange muizen, als stoute kinderen, die wachten tot ze ontdekt worden.

De deurwaarders liepen om naar de achterkant van het huis, tikten op de ramen, probeerden alle deurknoppen, om te zien of ze daar binnen konden komen. Ik hoorde hoe een van hen op de tuinbank klom en iets riep terwijl hij tegen het bovenraampje van de keuken duwde. Net op dat moment viel mijn oog op het boek in een verhuisdoos. Als twintiger had ik Five Hundred Mile Walkiesgelezen, het verhaal van een man die met zijn hond het South West Coast Path loopt. Moth zat vlak naast me, met zijn hoofd op zijn knieën en zijn armen eromheen, verdedigend, vol pijn en angst en woede. Woede vooral. De afgelopen drie jaar waren één groot slagveld geweest. Het leven had alle munitie verzameld die het kon vinden en die met volle kracht op hem afgeschoten. Hij was uitgeput van woede. Ik legde mijn hand op zijn haar. Ik had dat haar gestreeld toen het lang en blond was, en er zeezout, takjes hei en jeugd in zaten; toen het bruin was en korter, met bouwgips en speelklei van de kinderen erin; en nu was het zilver, dunner en zat het vol stof van ons leven.

Ik had deze man leren kennen toen ik achttien was; nu was ik vijftig. We hadden samen zijn vervallen boerderij opgeknapt, steen voor steen alle muren hersteld, we hadden groenten en kippen en twee kinderen grootgebracht, een schuur ingericht voor bezoekers die ons leven kwamen delen en geld in het laadje brachten. En als we die deur uit gingen, zou dat allemaal achter ons liggen, alles achter ons, voorbij, afgelopen, uit.

‘We kunnen gewoon gaan wandelen.’

Het was belachelijk om te zeggen, maar ik zei het toch.

‘Wandelen?’

‘Ja, gewoon wandelen.’

Zou Moth dat redden? Het was immers maar een kustpad; zo zwaar kon het niet zijn, en we konden langzaam lopen, gewoon de ene voet voor de andere zetten en de kaart volgen. Ik had heel erg behoefte aan een kaart, aan iets wat me de weg wees. Dus waarom niet? Zo moeilijk kon het niet zijn.

Die hele wandeltocht langs de kust, van Minehead in Somerset, via Noord- Devon, Cornwall en Zuid-Devon tot Poole in Dorset, leek me best te doen. Maar het idee dat wij over heuvels, stranden, rivieren en heidevelden zouden gaan lopen, leek op dat moment even ondenkbaar en onwaarschijnlijk als de mogelijkheid dat we onder de trap vandaan kwamen en de deur opendeden. Dat was iets wat anderen misschien zouden doen, wij niet.

Maar we hadden een ruïne herbouwd, onszelf leren loodgieten, twee kinderen opgevoed, onze eigen verdediging gevoerd tegenover rechters en goedbetaalde juristen, dus waarom niet?

Omdat we hadden verloren. De rechtszaak verloren, het huis verloren, en onszelf verloren.

Ik stak mijn hand uit om het boek uit de doos te pakken en keek naar het omslag: Five Hundred Mile Walkies. Wat klonk dat idyllisch. Ik besefte toen niet hoe meedogenloos het South West Coast Path was en wat het betekende: bijna vier keer de hoogte van de Mount Everest beklimmen, 1014 kilometer lopen over een pad van vaak maar 30 centimeter breed, in het wild overnachten, in het wild leven en elke pijnlijke actie verwerken die er de oorzaak van was dat we nu hier zaten, op dit moment, verborgen. Ik wist alleen dat we moesten gaan wandelen. En nu hadden we geen keus meer. Ik had mijn hand naar de doos uitgestoken, en nu wisten ze dat we in het huis waren, ze hadden me gezien, we konden niet meer terug, we moesten vertrekken. Toen we uit het donker onder de trap vandaan kropen, draaide Moth zich naar me om.

‘Samen?’

‘Altijd.’

We bleven staan bij de voordeur, waarachter de deurwaarders klaarstonden om de sloten te verwisselen, ons af te grendelen van ons oude leven. We stonden op het punt het donkere, eeuwenoude huis waarin we ons twintig jaar geborgen hadden gevoeld, te verlaten. Als we eenmaal die deur door waren, konden we nooit meer terugkomen.

Hand in hand liepen we het licht in.


Nieuws

Nieuw blog van Willem Meiners: over AH, Shell, Philips en de kleindochter van oma Meulenkamp

Willem Meiners woont sinds 1991 in Amerika. Hij bereisde alle 50 staten en ontdekte dat Amerika op dit moment Nederlandser is dan ooit tevoren. In De Dutch Touch vertelt hij het onwaarschijnlijke en grotendeels onbekende succesverhaal van Nederland in Amerika. Geen geschiedenisboek of feitenverhandeling, maar met humor en kennis van zaken neemt hij ons mee door een nieuwe ontdekking …

Lees verder