Leesfragment

‘Jongens waren we’

  • 2 september 2016
  • 3m

Hoofdstuk 1 | Fuck the System

Get your motor runnin’
Head out on the highway
Lookin’ for adventure
And whatever comes our way
Yeah darling go make it happen
Take the world in a love embrace
Fire all of your guns at once
And explode into space
Like a true nature’s child
We were born, born to be wild
We can climb so high I never wanna die!

Het is augustus 1970 en op de klanken van Steppenwolf rijd ik op mijn motor van de Betuwe naar Amsterdam. Weg van een bekakt gymnasium in Tiel en een jeugd als zoon van een kroegbaas in het lieflijke Ingen op weg naar de studie politieke en sociale wetenschappen, waarvan ik, behalve de naam, verder niets wist. Het was niet de Harley ‘Captain America’ van Peter Fonda uit mijn cultfilm Easy Rider, maar een oude roodbruine Jawa 250 cc uit 1954, maar dat deerde geenszins. Born to Be Wild zong Steppenwolf toen Fonda samen met Dennis Hopper in het weidse Texas de tocht naar het ongebonden leven begon. Als ik luid ‘Lookin’ for adventure’ en ‘Fire all your guns at once’ zing, transformeert de pruttelbak als vanzelf in de Harley van Fonda. De loodzware leren jas tot aan de enkels kreeg ik er gratis bij van onze caféklant Arie van den Berg, arbeider bij de Scheepjeswol, die eindelijk genoeg verdiende om zijn gedroomde BMW te kopen. Op een prijs van honderd gulden werden we het eens.

Het was een wonderlijk mengsel waarmee ik die dag naar Amsterdam toog: de muziek van Jimi Hendrix en The Mothers of Invention, wat halfverteerde klassieke teksten van het vermaledijde gymnasium, een jeugd in een dorpskroeg, het werk van Gerard Reve en wat oude Russen stukgelezen, plus de net vertaalde Alexander Solzjenitsyn. Uit het jeugdblad Hitweek had ik vijf jaar lang alles gehaald wat ik voor mijn persoonlijke tegencultuur nodig had: Jimi Hendrix, Pink Floyd en The Mothers of Invention als iconen van de underground. Plus het gratis meegeleverde superioriteitsgevoel dat een ieder die zich buiten de tegencultuur bevond tot het reddeloze klootjesvolk behoorde. Mijn dagen op het popfestival in Kralingen, de bekroning van dat levensgevoel, lagen nog maar twee maanden achter me.

Nu hoefde ik niet als acht jaar geleden voor de poorten van het deftige gymnasium de platen uit de jukebox van het café en alles wat bij die levensstijl hoorde bij het vuilnis aan de straat te zetten. De erfenis van het gymnasium, waar we opgeleid waren tot vertaalmachines van klassieke teksten zonder ooit de inhoud zelf verklaard te krijgen, kon ik nu opgelucht en opgetogen op de vuilnishoop smijten. Dacht ik.

We can climb so high. De onzekerheid van acht jaar geleden was nergens meer te bespeuren. We hadden als leerlingen van de zesde klas met succes gerebelleerd tegen de rector die als een Romeins dictator probeerde de vrolijke opstandigheid van de jaren zestig buiten zijn met spinrag bedekte school te houden. Hij sneefde deerlijk.

‘Zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kastelen’ luidde het naoorlogse motto van de wederopbouw. Dat keurslijf hadden we afgeworpen, en als tegenpool hadden we ‘Vrijheid’ op ons banier geschreven. Het oogde nog wat wankel en vaag, maar het stond er. Daar, in de grote stad, moest zich de wijsheid bevinden die de wereld eindelijk zou verklaren. Daar bevonden zich de hooggeleerde docenten – deftige professoren zelfs – die mij, na hun studie van honderden geleerde boeken, hun ultieme inzichten zouden bijbrengen en het begrip vrijheid vorm zouden geven. Ik kon niet wachten om mijn trofeeën van de jaren zestig aan te vullen met kruiwagens vol boeken, colleges en wat niet al. Misschien kreeg je Descartes of Machiavelli of een andere oude knakker wel in het echt te lezen. Werelden zouden zich openen. Head out on the highway. Ik gaf nog wat gas om het doel sneller te bereiken.

Ik was geheel opgetrokken uit de tijdgeest van toen: ik liet haar en baard groeien – thuis op straffe van grote woede door mijn vader verboden –, nam in Amsterdam meteen een abonnement op de Volkskrant, de VPRO-gids Vrije Geluiden en het weekblad De Groene Amsterdammer. In de Begijnensteeg bij het Maagdenhuis kocht ik een ruw gebakken aardewerken hanglamp met gaten in oranje, dé modekleur samen met bruin, in een winkeltje van een soort ‘artistiek wijf dat op karton schilderde “heel goed verkocht maar er nooit moeite voor deed” (G.K. van het Reve, Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard). Op mijn kamer in de studentenflat aan de Westermarkt had ik een prachtig bruine oude televisie oranje geverfd – met een beeldscherm zo groot als nu een kleine laptop – uit de eerste jaren van het medium, at zilvervliesrijst en dronk kruidenthee. Verder een vooroorlogse rieten stoel, in de Betuwe van zolder gevist, een groot antiek cilinderbureau, zware stokoude gordijnen en een mottig Perzisch kleedje op het tafeltje. Aan de muur een portret in een grote zwarte lijst van een somber kijkende overgrootvader met bakkebaarden tot aan zijn kin. Alles gekozen als contrast tegen het kille modernisme dat onze ouders tijdens de jaren zestig in zijn greep had gekregen. Thuis waren toen de vertrouwde gordijnen verdwenen en vervangen door luxaflex, ‘de vederlichte aluminium jaloezie ontworpen voor de mens van nú met zijn moderne eisen van doelmatigheid’, aldus de reclame in het weekblad Panorama.

De prachtige blondeiken stamtafel in het café kreeg een blad van formica, dé eigentijdse kunststof, want makkelijk schoon te houden dus ook ontworpen voor de mens van nú, die het steeds drukker kreeg. De keukenstoelen waren geheel van formica met poten van chroom. Kunststof voor plastic people, zoals Frank Zappa ze in 1967 bezong. Tegenover overgrootvader hing niet de poster van Che Guevara, logo van de tegencultuur, die ik in veel studentenkamers zag. De martiale heroïek van zijn kop was me te heilig en stootte me af. Nee, Gosen van Esterik keek uit op een grote poster van Peter Fonda en Dennis Hopper op hun Harleys. Born to Be Wild in een eindeloze Texaanse woestijn. Wellicht keek de oude daarom zo misprijzend. Met deze stamhouder zou het niet goed komen.
De politiek werd verbeeld door een voorkant van het Duitse weekblad Die Zeit, dat op de deur was geplakt. Het was een foto van een uitgehongerd Biafraans kind, dat spoedig zou sterven. Nigeria hongerde het opstandige Biafra bewust uit en dat zou twee miljoen doden tot gevolg hebben. Het was na de televisieactie Eten voor India in 1966 de tweede hongersnood die wereldwijd op televisie werd verslagen.

Naast het alomvattende Vrijheid waarde er nog een, uit Amerika geïmporteerde, slogan door mijn hoofd, […]


Nieuws

Blader door onze najaarsaanbieding

De mooiste non-fictie lees je ook dit najaar weer bij Balans: of je nu houdt van geschiedenis of juist gericht bent op actualiteit, we hebben voor ieder wat wils.

Zo kun je in oktober uitkijken naar het prachtige en aangrijpende Dagboek van een invasie van Oekraïense Andrej Koerkov, waarin hij de schrijnende situatie in zijn …

Lees verder