Leesfragment

Leesfragment: Nietzsches tranen

  • 6 februari 2019
  • 4m

I

DE KLOKKEN VAN SAN SALVATORE STOORDEN JOSEF BREUER in zijn mijmeringen. Hij haalde zijn zware, gouden horloge uit zijn vestzak. Negen uur. Voor de zoveelste keer las hij het zilver-omrande kaartje dat hij de vorige dag had ontvangen.

21 oktober 1882

Dokter Breuer, Ik moet u spreken over een zeer dringende aangelegenheid. De toekomst van de Duitse filosofie staat op het spel. Ik verwacht u morgenochtend om negen uur in café Sorrento.

Lou Salomé

Een impertinent briefje. In geen jaren had iemand hem zo onbeschaamd bejegend. Hij had nog nooit van Lou Salomé gehoord. Geen adres op de enveloppe. Geen mogelijkheid om tegen die persoon te zeggen dat negen uur niet schikte. Dat mevrouw Breuer het niet aangenaam zou vinden om in haar eentje te ontbijten, dat dokter Breuer vakantie had en dat ‘dringende aangelegenheden’ hem niet interesseerden – dat dokter Breuer juist in Venetië zat om eens een keer geen dringende aangelegenheden aan zijn hoofd te hebben.

Toch zat hij om negen uur in café Sorrento en bestudeerde de gezichten om zich heen, terwijl hij zich afvroeg hoe de brutale Lou Salomé eruit zou zien. ‘Nog koffie, meneer?’ Breuer knikte tegen de ober, een jongen van een jaar of dertien, veertien, met glad achterover gekamd, nat zwart haar. Hoe lang zat hij al te dagdromen? Hij keek nogmaals op zijn horloge. Weer tien minuten van zijn leven weggegooid. En waaraan weggegooid? Hij had als gewoonlijk zitten dromen over Bertha, de beeldschone Bertha die de afgelopen twee jaar zijn patiënte was geweest. Hij had zitten denken aan haar plagende stem: ‘Dokter Breuer, waarom bent u zo bang voor me?’ Hij had zich herinnerd wat ze zei toen hij haar vertelde dat hij haar niet meer zou behandelen. ‘Ik zal wachten. U zult altijd de enige man in mijn leven zijn.’

Hij schold zichzelf uit: ‘Hou in godsnaam op! Hou op met denken! Doe je ogen open! Kijk! Laat de wereld binnen!’

Breuer tilde zijn kopje op en snoof het aroma van sterke koffie op, tegelijk met diepe teugen koude, Venetiaanse oktoberlucht. Hij draaide zijn hoofd om en keek om zich heen. De overige tafels van café Sorrento waren bezet door ontbijtende mannen en vrouwen – voornamelijk toeristen, voornamelijk bejaard. Verscheidenen hadden een krant in de ene hand en een koffiekopje in de andere. Voorbij de tafels zweefden en doken zwermen staalblauwe duiven. Het stille water van het Canal Grande, waarin de prachtige paleizen langs de kant flikkerend werden weerspiegeld, werd alleen gerimpeld door het kielzog van een dobberende gondel. Andere gondels sliepen nog, vastgemeerd aan gebeeldhouwde palen die scheef in het kanaal stonden, als speren die in het wilde weg waren neergeworpen door een reus.

‘Ja, goed zo – kijk om je heen, idioot!’ zei Breuer tegen zichzelf. ‘Van over de hele wereld komen hier mensen om Venetië te zien – mensen die niet willen sterven voordat ze deze glorieuze schoonheid hebben aanschouwd.’

Hoeveel leven heb ik gemist, vroeg hij zich af, gewoon door niet te kijken? Of door te kijken maar niet te zien? Gisteren had hij in zijn eentje een wandeling over het eiland Murano gemaakt en na een uur had hij nog niets gezien, niets opgemerkt. Er waren geen beelden van zijn retina naar zijn cortex overgebracht. Zijn hele aandacht werd opgeslokt door gedachten aan Bertha: haar bekoorlijke lach, haar dwepende ogen, haar warme, argeloze lijf en haar snelle ademhaling wanneer hij haar onderzocht of masseerde. Die taferelen bezaten kracht – een eigen leven; als hij even niet oplette drongen ze zijn geest binnen en namen zijn fantasie in beslag. Moet dit voorgoed mijn lot zijn? vroeg hij zich af. Ben ik voorbestemd om alleen maar een podium te zijn waarop herinneringen aan Bertha tot in eeuwigheid hun drama opvoeren?

Aan de tafel naast hem stond iemand op. Hij schrok van het schrille schrapen van de metalen stoel over de stenen en zocht weer naar Lou Salomé.

Daar was ze! De vrouw die over de Riva del Carbon liep en het café binnenkwam. Alleen zij had dat briefje kunnen schrijven – die knappe, lange, slanke, in bont gehulde vrouw, die nu hooghartig op hem afschreed door de doolhof van dicht opeen staande tafeltjes. En toen ze dichterbij kwam, zag Breuer dat ze jong was, misschien nog jonger dan Bertha, mogelijk een schoolmeisje. Maar die koninklijke houding was heel bijzonder! Daar zou ze het ver mee brengen!

Lou Salomé bleef zonder enige aarzeling op hem aflopen. Hoe wist ze zo zeker dat hij het was? Zijn linkerhand streek snel over de rossige stoppels van zijn baard voor het geval er nog kruimels van zijn ontbijtbroodje in hingen. Met zijn rechterhand trok hij de zijkant van zijn zwarte jas naar beneden zodat die niet opbolde bij zijn hals. Toen ze nog maar een meter van hem vandaan was, bleef ze even staan en keek hem vrijmoedig in de ogen.

Plotseling hield het gekwebbel in Breuers hoofd op. Nu hoefde hij zich niet te concentreren om te kijken. Nu werkten retina en cortex perfect samen, zodat het beeld van Lou Salomé ongehinderd zijn geest kon binnenstromen. Ze was een buitengewoon mooie vrouw: een krachtig voorhoofd, een sterke, gebeeldhouwde kin, felblauwe ogen, volle, sensuele lippen en slordig geborsteld, zilverblond haar dat achteloos in een hoge knoet was opgestoken, zodat haar oren en haar lange hals geaccentueerd werden. Vooral de haarsliertjes die uit de knoet waren ontsnapt en roekeloos alle kanten op wezen, vertederden hem.

In nog drie stappen stond ze bij zijn tafel. ‘Dokter Breuer, ik ben Lou Salomé. Mag ik?’ met een gebaar naar de stoel. Ze ging zo snel zitten dat Breuer geen tijd had om haar behoorlijk te begroeten – op te staan, een buiging te maken, haar hand te kussen, haar stoel naar achteren te trekken.

‘Ober! Ober!’ Breuer knipte gedecideerd met zijn vingers. ‘Koffie voor mevrouw. Café latte?’ Hij keek Fräulein Salomé vluchtig aan. Ze knikte en deed ondanks de kille ochtend haar bontstola af. ‘Ja, een café latte.’

Breuer en zijn gast zwegen een ogenblik. Toen keek ze hem recht in de ogen en begon: ‘Ik heb een vriend die wanhopig is. Ik ben bang dat hij binnenkort zelfmoord zal plegen. Dat zou voor mij persoonlijk een groot verlies zijn en een enorme tragedie, omdat ik tot op zekere hoogte verantwoordelijk zou zijn. Daar zou ik echter nog wel overheen kunnen komen. Maar’ – ze boog zich naar hem toe en dempte haar stem – ‘dat verlies zou zich lang niet beperken tot mij alleen: de dood van deze man zou gigantische gevolgen hebben – voor u, voor de Europese cultuur, voor ons allemaal. Werkelijk waar.’

Breuer wilde zeggen: ‘Kom juffrouw, u overdrijft’, maar hij kon deze woorden niet uitspreken. Wat bij iedere andere jonge vrouw op puberale overdrijving zou hebben geleken was in dit geval iets anders, iets dat serieus genomen diende te worden. Haar oprechtheid, haar diepe overtuiging waren onweerstaanbaar.

‘Wie is deze man, die vriend van u? Heb ik van hem gehoord?’ ‘Nog niet! Maar eens zullen we hem allemaal kennen. Hij heet Friedrich Nietzsche.’


Nieuws

Vacature stagiair publiciteit & online

Aan de slag als stagiair publiciteit bij een gerenommeerde uitgeverij? Dat kan! Reageer op onderstaande vacature met een korte motivatie en je cv.

Stagiair publiciteit & online 

Uitgeverij Balans investeert in publiciteit, (digitale) communicatie en marketing. Wij zoeken daarom op korte termijn een stagiair(e) die ons daarbij ondersteunt en weet toe te voegen op het …

Lees verder