Leesfragment, Nieuws

Leesfragment uit Smoeder – Maria Goos

  • 8 mei 2019
  • 2m

Mijn moeder had een Chinees servies in het sierkastje in de voorkamer staan, op de plek waar ik geboren ben. Ze had ook een gouden dasspeld geërfd van haar zuster. Mijn broer had een taxateur ingeschakeld om misverstanden te voorkomen. De dasspeld was doublé en het Chinees servies was door mijn moeder zeer kundig geënsceneerd, maar toen het op tafel stond bleek het samengesteld uit verschillende serviezen en nogal kapot. Op de theepot zat een aardewerken bruine deksel van een dikke theepot van de hema die ik me nu ineens kan herinneren. De suikerpot miste een oor. ‘Maar het melkkannetje is heel hoor,’ probeerde mijn zus. Ze hield het omhoog en we zagen een rare bruine cirkel aan de onderkant. De bodem was erin gelijmd. Van de vier kopjes en de zes bordjes was er één kopje heel. We konden het niet helpen, maar we kregen een beetje de slappe lach. We waren zo beleefd tegen de spulletjes. Ze lagen op tafel en wij stonden eromheen. We wilden niet hebberig lijken maar ook niet onverschillig zijn. We probeerden alles met respect te behandelen. En het maakte ons niet uit dat het mahonie grenen bleek. En de olie op linnen een oleografie.

Het schilderijtje van het molentje waarover ze zelf altijd zei: ‘Nou, dat zou weleens…’ was door de taxateur op vijfentwintig gulden geschat. We waren niet bang meer voor ruzie. En mamma had zich geen mooiere verdeling kunnen voorstellen.

We maakten drie plekjes in de kamer, daar brachten we na elke ronde onze spulletjes naartoe. Later op die dag zou Nol, de man van mijn zuster, roepen: ‘Ik begrijp jullie niet, jullie halen alles uit elkaar, wat heb je nou aan een vazenstel als iedereen er één heeft, die horen bij elkaar. Iedereen ziet zo dat er twee missen.’ ‘Nou,’ zei mijn zus toen rustig, ‘dan zeg ik, ik heb ze wel alle drie, alleen staat er één bij m’n broer en één bij m’n zus.’ Haar man staarde haar verbouwereerd aan. Haar dochter van vijftien zat met opengesperde mond en opgetrokken neus te schokschouderen. Toen Nol zei dat er met ons niet te praten viel, keken mijn zus en ik elkaar aan en haalden glimlachend onze schouders op. Dit was voor Tanja te veel. Ze brak en gierde het uit. Mijn zus en ik waren meer zussen dan ooit.

We hebben ook nog ieder zo’n honderd zakdoeken meegekregen. We waren een zakdoekenfamilie. Altijd een zakdoek bij je. ‘Houdoe, ma.’ En dan riep ze vanachter het aanrecht of de tv: ‘Ja, houdoe. Heb je een zakdoek bij?’ Een snotterend kind was armoedig. En wij waren niet arm. ‘Bij jullie hangen er alleen maar bullen aan de waslijn.’ Daar kwam mijn zus mee thuis. Had het buurmeisje gezegd. Mijn moeder eropaf. De buurvrouw was gelukkig zo wijs om haar excuses aan te bieden. Alles weer goed. Later zei mijn moeder tegen mij: ‘Het was ook niet veel moois wat er hing, maar daar heeft zo’n snotjong zich niet mee te bemoeien.’

Het idee dat ik op een dag niet meer zou weten hoe je praat, hoe je denkt, hoe een lief klein mens je bent. Dat je gezicht vervaagd zou zijn, dat is onverdraaglijk voor me, mamma. Ik wil je bij me houden. Alles van je. Je haar, je ogen, je neus, je kleine handjes. Je bent mijn mamma. Ik had je zo graag nog willen aaien, willen strelen. Kusjes willen geven. Ik had je zo graag liefde willen geven. Tonnen en tonnen met liefde. Maar jij wilde geen aaien en strelen en pijn en lijden. Jij wilde in één klap dood.


Nieuws

Leesfragment ‘smoeder’ van Maria Goos

Je hebt een boek in je handen dat op een bijzondere manier tot stand is gekomen. Het zijn de aantekeningen van een dochter die rouwt om haar overleden moeder. Die dochter ben ik. De aantekeningen zijn uit 1985-1986, het eerste jaar na de dood van mijn moeder. Ik was toen negenentwintig jaar en met haar dood werd ik wees. Ik …

Lees verder