Leesfragment

Leesfragment – De bankkraak uit ‘Alleen omdat ik Van Hall ben’

  • 5 maart 2018
  • 7m

Onlangs ging de film ‘Bankier van het verzet’ in première. Een film over een van de grootste Nederlandse verzetsstrijders Walraven van Hall. Ook zijn broer, Gijs van Hall, speelde een belangrijke rol in het verzet. Hieronder een leesfragment uit zijn biografie ‘Alleen omdat ik een Van Hall ben’.

 

Het verzetswerk van Gijs van Hall nam op tamelijk informele, bijna terloopse wijze een aanvang rond de Februaristaking van 1941. Publicist Geert Mak spreekt zelfs van ‘een kleinigheid’ als aanleiding waarom Gijs – en zijn broer Walraven – in het verzet belandden. Door zijn neef – de beeldhouwer Frits van Hall – raakte Gijs betrokken bij wat aanvankelijk eenvoudige collectes waren voor de ontslagen stakers en hun familieleden. Aan de Parlementaire enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945 verklaarde hij later:

Hij [Frits] is […] na de Februari-staking bij me gekomen. Er waren in Amsterdam veel mensen doodgeschoten en andere waren ontslagen, waaruit allerlei financiële problemen waren voortgekomen. Er was toen een groep mensen, waarvan hij [Frits] er een was, die probeerde voor de nagelaten betrekkingen, respectievelijk de ontslagenen, geld bij elkaar te brengen. Hij vroeg me hieraan mee te helpen. Ik heb verschillende van mijn vrienden en kennissen benaderd, die maandelijks een zeker bedragje gaven.

Kort na de staking begon het verzet tegen de Duitsers goed op gang te komen omdat steeds meer mensen de gevolgen van de bezetting aan den lijve ondervonden. Een van de maatregelen die de Duitsers na- men, was het verbod aan rederijen om aan de vrouwen van hun zee- varend personeel specifieke loonbetalingen te doen; de uitbetaling zou in de toekomst ‘vanzelfsprekend worden gestaakt, indien vast staat dat de Nederlandsche zeeman in Engelsche dienst is of dat zijn schip in het belang van Engeland vaart’. De bedoeling van de maatregel was duidelijk, meende Gijs: ‘Tot iedere prijs wilde de bezetter de geallieerde scheepvaart belemmeringen in de weg leggen.’

Om de zeemansvrouwen van geld te voorzien, werden overal steunorganisaties opgezet, gecoördineerd vanuit Rotterdam. Dit zeeliedenfonds, dat in de volksmond ‘de Zeemanspot’ werd genoemd, stond onder leiding van de voormalige kapitein van het stoomschip Statendam iii, Abraham Filippo. De oceaanstomer was in de meidagen van 1940 in Rotterdam uitgebrand en de ‘werkloze’ Filippo leek een goede persoon om een dergelijk fondsenwervings- programma op te zetten. Hij wilde een vergelijkbaar steunprogramma opzetten in Amsterdam en benaderde Walraven van Hall om het Amsterdamse ‘filiaal’ van de Zeemanspot te realiseren. Immers, ook Walraven had een koopvaardijachtergrond en dus een verondersteld netwerk om in die wereld gelden te ronselen.

De (illegale) Zeemanspot werd een groot succes. Of liever gezegd: een te groot succes, want het aantal aanvragen om steun was zo groot dat de omvang van de donaties niet toereikend was om alle vrouwen te steunen. Minister Steenberghe van Financiën hielp de Zeemans- pot uit de brand: hij liet via Radio Oranje vanuit Londen weten dat de regering zich garant zou stellen ‘voor alle betalingen welke zijn of nog zullen gedaan worden aan de naaste familieleden van Nederlandsche zeelieden’. De Zeemanspot was, met andere woorden, niet langer afhankelijk van giften, maar kon ook leningen sluiten die door de Nederlandse regering in ballingschap waren gegarandeerd en na de oorlog zouden worden terugbetaald. Het was uiteraard van belang dat de geldgevers enerzijds onbekend zouden zijn en blijven voor de Duitsers, maar anderzijds bekend moesten zijn bij de leiding van de Zeemanspot, zodat na de oorlog duidelijk was aan wie het geleende geld terugbetaald zou moeten worden.

Walraven van Hall bedacht een ingenieus systeem met waardeloze effecten, oude Markbiljetten en zilverbonnen, waarbij de geldgever een dergelijk niet op naam gesteld bewijs zou krijgen als gegarandeerde waarborg voor de teruggave na de oorlog van het door hem uitgeleende geld. ‘Hoe knap de Duitse speurhonden ook waren, het zou toch wel een bovenmenselijke taak zijn uit te vinden wie in Nederland eigenaar was van bijvoorbeeld 41⁄2% obligatie Wladikawkas 1896 no. 91615 of van een zilverbon van ƒ 1 serie AX nummer 65782.’

Uiteraard moest ergens geregistreerd staan wie de eigenaar was van de zogenaamde ‘waardeloze’ waardepapieren en wat de echte waarde was. Op dat moment kwam broer Gijs in het verhaal, een pietje precies die nauwkeurig zou bijhouden wie de eigenaar was van welk waardepapier. ‘Ik bewaarde de kas, registreerde de leningen, ontving de kwitanties en registreerde deze.’ Om zo weinig mogelijk risico op ontdekking te lopen, werden deze registraties vermoedelijk bewaard bij het Amsterdamsch Trustee’s Kantoor, waar Gijs nog steeds directeur was. Hij antwoordde althans bevestigend op de vraag van de voorzitter van de Parlementaire enquêtecommissie of ‘de centrale administratie op uw kantoor te Amsterdam [werd] gevoerd’.

Het geld stroomde binnen, vooral omdat grote en goedwillende financiële instellingen meewerkten: van de twaalf grootste door Gijs van Hall benaderde Amsterdamse banken ‘lieten er tien gefingeerde leningen opnemen, […] elk goed voor ƒ 200.000’.  Dat bankiers zo vlot meewerkten, had volgens Gijs zelf te maken met de goede naam en faam van de Van Halls en vooral van vader Aat van Hall. ‘Wie hem kende, kende ons. Men wist dat wij geen oplichters waren en geen ontoelaatbare trucs zouden uithalen.’

In totaal ontvingen 6340 gezinnen in de periode 1941-1945 financiële steun, het overgrote deel (bijna driekwart) koopvaardijgezinnen. Het totale bedrag dat voor steun werd uitgekeerd was 5,2 miljoen gulden, voornamelijk (80 procent) uitgekeerd aan koop- vaardijgezinnen in Rotterdam en Amsterdam. Het overgrote deel van het totale bedrag werd uitgekeerd in de jaren 1942 en 1943, namelijk 3,9 van de 5,2 miljoen gulden.

Wat was begonnen als illegale hulp aan zeemansvrouwen ontwikkelde zich in de loop van de oorlog steeds meer als een hulporganisatie voor het gehele verzet. Dit was mogelijk doordat de Zeemanspot uiteindelijk veel meer geld binnenhaalde dan nodig was voor de zeemansvrouwen. Aan de Parlementaire enquêtecommissie verklaarde Gijs later:

Wij kregen meer kwitanties van zeeliedenvrouwen dan wij verplichtingen hadden tegenover onze leningengevers. Aangezien toen op andere gebieden van het verzet steeds meer geld nodig was, vonden wij het jammer de bedragen op onderpand van de zeeliedenkwitanties ongebruikt te laten. […] De surplus-bedragen die wij ontvingen, zijn wij voor andere phases van het verzet gaan gebruiken. Zo is langzamerhand het Nationaal Steunfonds ontstaan.

Naast het zeeliedenfonds ontstond er op die manier een wat gekscherend werd genoemd ‘landrottenfonds’; beide fondsen werden ondergebracht in het Nationaal Steunfonds (NSF), dat op basis van giften, leningen en naar later bleek oplichting het Nederlandse verzet en verzetsorganisaties financierde. Naar naoorlogse verklaringen van Gijs van Hall ging het tot aan de bevrijding om een bedrag van ‘een kleine honderd millioen gulden’.

Over zijn rol in dat fonds was Gijs, die zich bediende van de schuilnaam ‘Klaassen’, later duidelijk: ‘Ik was maar één rad in het geheel, waarvan Wallie de ziel was.’ Aan de Parlementaire enquêtecommissie legde hij het in 1950 zo uit: ‘Mijn broer had de zaak opgezet en gaf het geld uit en het werd hoe langer hoe meer mijn taak te zorgen dat het geld er was. Om het simplistisch te zeggen: hij had contact met de illegaliteit en ik met de legaliteit.’ Het grote en vooral risicovolle verzetswerk werd volgens Gijs niet door hemzelf, maar door zijn broer Walraven (meest gebruikte schuilnaam ‘Van Tuyl’) verricht. ‘Ik was eigenlijk een aanhangsel dat de administratie verzorgde.’ Hij liep daardoor naar eigen zeggen ‘veel minder risico’ dan zijn broer.

Het lijkt alsof Gijs van Hall zichzelf hier wel een erg bescheiden verzetsrol toedicht, te meer daar een juiste administratie van levensbelang was om donateurs te blijven bewegen mee te werken: zij moesten op een of andere manier een garantie hebben na de oorlog hun geld terug te krijgen. Daarvoor was het nodig te weten wie meegewerkt had. De bagatelliserende uitspraken van Gijs over zichzelf deed hij bovendien met de kennis die hij had over de afloop van de oorlog en over de dodelijke afloop daarvan voor zijn broer. Gijs werkte zo impliciet of moedwillig mee aan de constructie van de heldenstatus van Walraven, door zichzelf weg te cijferen.

Hoe het NSF precies het verzet financierde, is nauwgezet beschreven in vele publicaties. Daarom zal niet gedetailleerd worden herhaald hoe het steunfonds te werk ging, al is wel van belang er iets over te zeggen, al is het maar omdat het steunfonds achteraf verantwoorde- lijk was voor de grootste bankroof uit de Nederlandse geschiedenis: een vervalsing van schatkistpromessen ter waarde van (toen) 51 miljoen gulden, een bedrag dat in 2015 een koopkracht van meer dan 288 miljoen euro zou vertegenwoordigen.  Een groot deel van het verzet en van de verzetsorganisaties kon hiermee worden gefinancierd.

Het idee voor de vervalsing van schatkistpromessen – bij de Algemene Rekenkamer geregistreerde staatsschuldbewijzen die de overheid verkoopt om aan geld te komen – was afkomstig van Gijs, die had zitten broeden op een manier om de financiering van het verzet te versnellen en meer geld binnen te krijgen, in het bijzonder voor de 30.000 werknemers van de spoorwegen die in september 1944 in staking waren gegaan: ‘geld verzamelen via leningen duurde te lang en gaf te veel risico. Wij wilden toen een grote slag slaan waardoor wij veel geld tegelijk zouden krijgen.’ Dat was wel nodig ook, want al- leen al voor de uitbetaling van de spoorwegstakers was ‘maandelijks vijf tot zes miljoen gulden nodig’.

Het plan dat Gijs bedacht, was gebaseerd op een affaire die hij en Emma in de jaren dertig van nabij hadden meegemaakt in New York. Daar was een groot financieel schandaal geweest, veroorzaakt door malversaties bij het concern Kreuger & Toll. Tegenover de Parlementaire enquêtecommissie verklaarde Gijs van Hall later:

De heer Ivar Kreuger had een aantal banken opgelicht door valse schatkistpromessen in onderpand te geven. Ik dacht: dat wat de heer Kreuger kon, zouden wij ook wel eens kunnen, laten we het dus eens met vals schatkistpapier proberen.

Precies deze truc haalde Gijs van Hall in Nederland uit, waarbij de hulp werd ingeroepen van de Persoonsbewijzencentrale, de ondergrondse drukkerij die vervalste persoonsbewijzen drukte. Deze drukkerij drukte valse schatkistpromessen van 100.000 gulden elk, die vervolgens in de kluis van De Nederlandsche Bank aan de Oude Turfmarkt in Amsterdam werden omgeruild tegen de ter plekke op- geslagen echte schatkistpromessen van de Rijkspostspaarbank. Medewerking van De Nederlandsche Bank was daarbij uiteraard vereist en die werd gevonden in de persoon van kassier-generaal Cornelis Ritter, tevens hoofd van de kluisafdeling. Overigens was ook de spaarbank op de hoogte van de promessenomwisseling, die de codenaam ‘tante Betje’ meekreeg. De organisatie zat volgens Gijs van Hall zelf goed in elkaar:

Het mooie van deze zaak was dat wij dus vlot verhandelbaar schatkistpapier kregen en dat het vals papier, hetwelk wij maakten, slechts op één plek, namelijk in de kluizen van De Nederlandsche Bank lag, zodat er niet allerlei vals papier in omloop kwam.

De echte schuldbewijzen moesten na omruil met de vervalste op de markt worden verkocht, maar dat bleek niet zomaar te gaan: de spaarbank bracht normaal gesproken geen promessen op de markt en zeker geen grote hoeveelheden. Het plotseling op de markt brengen van schuldbewijzen zou dus argwaan kunnen wekken. Gijs van Hall, die immers over uitstekende connecties beschikte in de financiële sector, nam contact op met Arnold d’Ailly, directeur van de effectenbank Kas-Vereeniging. Deze D’Ailly, die in het volgende hoofdstuk nog terug zal komen als flamboyant burgemeester van het naoorlogse Amsterdam, bleek bereid de spaarbankpromessen van kompaan Van Hall over te nemen. De effectenbank beschikte namelijk over 180 miljoen gulden aan schatkistpromessen in open depot, die toebehoorden aan de Coöperatieve Centrale Boerenleen- bank in Eindhoven. De deal was rond: de moeilijk te verhandelen spaarbankpromessen gingen de kluis in van de effectenbank en de vrije en goed verhandelbare promessen van de Eindhovense Boeren- leenbank kwamen op de vrije markt en konden ‘op normale wijze te gelde gemaakt worden’.

Deze Boerenleenbank-promessen – die binnenskamers ‘loterijbriefjes’ werden genoemd – werden vervolgens geleidelijk verkocht aan vijf banken, waarvan de directies in het complot zaten.  Het steunfonds kon op die manier maandelijks 8 à 10 miljoen gulden binnenhalen. Dit bedrag werd vervolgens via een ingenieus systeem van koeriers per auto, per fiets of lopend gedistribueerd over het land, waarbij zowel personen als bedrijven in aanmerking kwamen voor steun. Gijs van Hall: ‘Gewoonlijk werden de gelden door meisjes overgebracht, maar ook wel eens met een door Duitsers geconvoyeerde auto van De Nederlandsche Bank.’

De hele vervalsingskwestie was natuurlijk een hachelijke onderneming. Uitlekken of verraad lag steeds op de loer, te meer omdat bankpresident Meinoud Rost van Tonningen een vurig nationaalsocialist was en het er dus op aankwam binnen de muren van De Nederlandsche Bank uiterste discretie te betrachten en het omwisselen van de promessen zo goed mogelijk voor te bereiden. Bij de omwisselingstruc kwam overigens hulp uit onverwachte hoek: er was niet veel elektriciteit meer beschikbaar waardoor kassier Ritter de omwisseling moest doen plaatsvinden bij kaarslicht: dat er valse promessen in de kluizen belandden was daardoor moeilijk zichtbaar. Voorzichtigheid bleef niettemin geboden, want bij de omwisseling waren ook keldermeesters van de bank betrokken en die zaten niet in het complot.  Ook bestond er de vrees dat de locatie waar het hele steunfonds door Gijs van Hall werd geadministreerd en beheerd, werd ontdekt.

Dat het allemaal goed ging, was naast een goede organisatie ook een kwestie van het uitwissen van sporen – de pagina’s van Gijs van Halls agenda’s over het jaar 1944 en over de periode januari-maart 1945 zijn eruit gescheurd.  Toeval en naïviteit aan de kant van de Duitsers speelden de fraudeurs eveneens in de kaart. Op een vraag later van Enquêtecommissie-lid Wttewaall van Stoetwegen, of het rondbrengen van kwitanties bij steun ontvangende personen en instanties niet ‘levensgevaarlijk’ was, antwoordde Gijs van Hall:

De kwitanties werden uitgeschreven en op zichzelf waren dat inderdaad papieren, die de Duitsers in handen konden krijgen. Er zijn ook wel eens kwitanties in handen van de Duitsers gekomen, maar zij hebben nooit goed begrepen wat zij betekenden, het konden evengoed huurkwitanties zijn. […] De Duitsers wisten dat het NSF bestond, maar zij hadden er geen idee van hoe het werkte en wat het deed.

De omruil van schatkistpromessen is nooit misgegaan, maar bij alle andere verzetsactiviteiten van het steunfonds verloren in de jaren 1944-1945 84 medewerkers hun leven: geldverzamelaars, uitbetalers, contactpersonen, administrateurs, districtshoofden en plaatselijke hoofden. Ook het landelijk hoofd Walraven van Hall overleefde de oorlog niet.


Leesfragment

Leesfragment: Napoleon, de man achter de mythe

Leesfragment uit Napoleon, de man achter de mythe van Adam Zamoyski

 

Kalverliefdes

[…]

Het is niet duidelijk of Buonaparte echt in de gevangenis is gegooid of slechts onder huisarrest werd geplaatst. Junot wist hem een briefje toe te spelen waarin hij aanbood zijn ontsnapping te regelen, maar Buonaparte weigerde. ‘Ik herken jouw vriendschap in je voorstel, mijn beste Junot; en je weet goed wat …

Lees verder