Leesfragment

Leven en lot

  • 9 december 2016
  • 7m

Fragment uit Leven en lot van Vasili Grossman.

1

Er hing een lage mist. De hoogspanningsleidingen langs de weg weerkaatsten het licht van de koplampen. Het had niet geregend, maar de grond was vochtig in de vroegte en het stopsein wierp een wazige roodachtige vlek op het natte asfalt. De adem van het kamp was tot kilometers in de omtrek voelbaar. Alle elektriciteitsdraden, wegen en spoorwegen voerden in een steeds dichter wordend net naar hetzelfde punt. Het was een ruimte vol rechte lijnen, een ruimte van rechthoeken en parallellogrammen die de aarde, de herfstige hemel en de mist doorkliefden. In de verte klonk gedempt het langgerekte geloei van sirenes.

De weg liep vlak langs de spoorlijn, en een tijdje lang gingen de colonne van wagens beladen met papieren zakken cement en de eindeloos lange goederentrein vrijwel gelijk op. De chauffeurs in hun militaire overjassen keken niet opzij naar de wagons of naar de bleke vlekken van menselijke gezichten daarbinnen. De omheining van het kamp doemde op uit de mist: rijen prikkeldraad, tussen palen van gewapend beton gespannen. De barakken strekten zich uit langs brede, rechte straten. In hun eentonigheid kwam de onmenselijkheid van het enorme kamp tot uitdrukking.

Onder een miljoen Russische boerenhutten zijn er geen twee precies gelijk, dat is uitgesloten. Alles wat leeft is uniek. Het is ondenkbaar dat twee mensen, of twee rozenbottelstruiken, identiek zijn. Waar individuele eigenaardigheden en bijzonderheden met geweld worden uitgewist, dooft het leven uit.

Betonnen palen, hoge masten met wendbare zoeklichten en wachttorens van gewapend beton flitsten voorbij aan het achteloze maar alerte oog van de grijze machinist. In de glazen geschutskoepels waren bewakers met mitrailleurs te zien. De machinist gaf een wenk aan zijn helper en de locomotief liet een waarschuwend fluitsignaal horen. Een elektrisch verlicht wachthuisje schoot langs, een rij auto’s bij een neergelaten gestreepte slagboom en het rode stierenoog van een stopsein. In de verte klonk het gefluit van een tegemoetkomende trein. ‘Dat is Zucker, ik herken hem aan zijn brutale fluit. Die heeft zijn lading gelost en rijdt met een lege bak naar München,’ zei de machinist tegen zijn helper.

De lege trein en de goederentrein op weg naar het kamp denderden langs elkaar heen. Met geraas werd de lucht aan stukken gescheurd, grijze lichtstrepen flitsten voorbij tussen de wagons en plotseling sloten de flarden ruimte en herfstig ochtendlicht zich weer aaneen tot een zich gelijkmatig afrollend doek. De hulpmachinist haalde een zakspiegeltje tevoorschijn en keek naar zijn vuile wang. De machinist gebaarde dat hij het ook even wilde.

‘Echt, Genosse Apfel,’ zei de hulpmachinist met aandrang, ‘we hadden voor het eten terug kunnen zijn, in plaats van totaal uitgeput om vier uur ’s ochtends, als de wagons niet steeds gedesinfecteerd hoefden te worden. Alsof dat niet net zo goed bij ons in het depot kan gebeuren.’

De oude man had genoeg van het gezeur over de desinfectie. ‘Geef eens een lang fluitsein,’ zei hij, ‘dan hoeven we niet op het zijspoor, maar kunnen we meteen doorrijden naar het terrein om te lossen.’

2

In het Duitse kamp kreeg Michail Sidorovitsj Mostovskoj, voor het eerst sinds het tweede congres van de Komintern, de kans om zijn talenkennis echt te gebruiken. Voor de oorlog, in Leningrad, was er zelden gelegenheid om met buitenlanders te praten. Nu dacht hij terug aan zijn jaren van ballingschap in Londen en Zwitserland, waar in kringen van revolutionairen gepraat, gediscussieerd en gezongen werd in bijna alle Europese talen. De Italiaanse priester Guardi, die op de brits naast hem sliep, had Mostovskoj verteld dat er in het kamp mensen van zesenvijftig verschillende nationaliteiten waren. Die tienduizenden bewoners van de kampbarakken deelden hetzelfde lot, dezelfde gelaatskleur, dezelfde kleding, dezelfde slepende gang en dezelfde soep van rapen en sagosurrogaat, die de Russische gevangenen ‘vissenogen’ noemden.

De kampleiding herkende de gevangenen aan hun nummers en de kleur van de strook stof die op hun jasje was genaaid: rood voor politieke gevangenen, zwart voor saboteurs, groen voor dieven en moordenaars. Mensen die elkaar door het taalverschil niet konden verstaan, waren verbonden door een gemeenschappelijk lot. Specialisten in moleculaire fysica of oude manuscripten lagen op britsen naast Italiaanse boeren en Kroatische herders die hun naam niet konden schrijven. Een man die vroeger zijn ontbijt bij de kok bestelde en zijn huishoudster ongerust maakte met zijn slechte eetlust liep zij aan zij met een man die altijd op zoutevis had geleefd naar het werk. Beiden klosten met hun houten zolen en keken verlangend uit naar de Kostträger, de dragers van de soepketels, door de Russische barakbewoners ‘kostrigi’ genoemd.

Juist uit die verschillen ontstond de overeenkomst in het lot van de mensen in het kamp. Of hun droombeeld van het verleden nu een tuintje aan een stoffige Italiaanse weg was, het sombere gebulder van de Noordzee of een oranje papieren lampenkap in het huis van een personeelschef aan de rand van Bobroejsk, alle gevangenen hadden zonder uitzondering een prachtig verleden gekend. Hoe moeilijker iemands leven voor het kamp was geweest, hoe vuriger hij loog. Die leugen diende geen enkel praktisch doel, het was een lofzang op de vrijheid: een mens buiten het kamp kan niet ongelukkig zijn.

Voor de oorlog stond dit kamp bekend als een kamp voor politieke misdadigers. Het nationaalsocialisme had een nieuw type politieke gevangenen gecreëerd: misdadigers die geen misdaad hadden begaan. Veel gevangenen waren in het kamp terechtgekomen omdat ze in gesprekken met vrienden kritische opmerkingen over het Hitler-regime hadden gemaakt of een politieke anekdote hadden verteld. Ze hadden geen pamfletten verspreid, waren geen lid van ondergrondse organisaties geweest. De beschuldiging tegen hen luidde dat ze al die dingen zouden kunnen doen.

Ook de opsluiting van krijgsgevangenen in een concentratiekamp voor politieke misdadigers was een vernieuwing ingevoerd door het fascisme. Er waren Engelse en Amerikaanse piloten die boven Duits grondgebied waren neergehaald en commandanten en commissarissen uit het Rode Leger, die de speciale belangstelling van de Gestapo hadden. Ze werden onder druk gezet om inlichtingen en adviezen te verstrekken, te collaboreren, allerlei verklaringen te ondertekenen.

Er waren saboteurs in het kamp: mannen die zonder toestemming hadden geprobeerd zich aan het werk in de militaire fabrieken of op de bouwterreinen te onttrekken. Het opsluiten in concentratiekampen van werkonwillige arbeiders was nog een verworvenheid van het nationaalsocialisme. Er waren mannen met een lila strook op hun jasje: Duitse emigranten die uit het fascistische Duitsland waren vertrokken. Ook dat was een innovatie van het fascisme: wie Duitsland had verlaten, hoe loyaal hij zich in het buitenland ook gedroeg, werd een politieke vijand.

De mannen met een groene strook op hun jasje, de dieven en inbrekers, waren een geprivilegieerde groep; de kampleiding rekende op hen om toezicht te houden op de politieke gevangenen. De macht van de criminele over de politieke gevangenen was nog een manifestatie van de vernieuwingsdrang van het nationaalsocialisme. Verder waren er mensen in het kamp wier lot zo bijzonder was dat er geen passende kleur stof voor was bedacht. Maar ook voor de Indische slangenbezweerder, de Pers die uit Teheran was gekomen om de Duitse schilderkunst te bestuderen en de Chinese student

natuurkunde had het nationaalsocialisme een plaats op een brits voorzien, een kom watersoep en twaalf uur veen spitten per dag.

Dag en nacht reden er transporten naar de vernietigingskampen en de concentratiekampen. De lucht was vol van het gedaver van de wielen, het gefluit van de locomotieven en het doffe lawaai van de laarzen van honderdduizenden kampgevangenen op weg naar het werk, met vijfcijferige, donkerblauwe nummers op hun kleding genaaid. De kampen waren de steden van het Nieuwe Europa geworden, ze waren verrezen en gegroeid, met een eigen plattegrond, eigen straten en pleinen, ziekenhuizen en vlooienmarkten, crematoria en stadions. Wat leken de oude gevangenissen, weggestopt in de voorsteden, naïef en gemoedelijk patriarchaal in vergelijking met die kampsteden, in vergelijking met die gekmakende purperrood-zwarte gloed boven de crematoria.

Je zou denken dat er voor het bewind over die enorme menigte onderdrukten een eveneens enorm miljoenenleger van opzichters en bewakers nodig zou zijn. Maar dat was niet zo. Er konden weken voorbijgaan zonder dat er een ss-uniform in de barakken verscheen. De gevangenen zelf hadden de politiebewaking binnen de kamp­steden op zich genomen. De gevangenen zelf zagen erop toe dat de orde in de barakken werd bewaard, dat in hun soepketel alleen rotte, stukgevroren aardappelen terechtkwamen en dat de grootste en mooiste werden uitgesorteerd voor de bevoorrading van het leger. De gevangenen traden op als artsen en bacteriologen in de kamp­ziekenhuizen en -laboratoria, als conciërges die de kampstoepen aanveegden, als ingenieurs die zorgden voor de verlichting en verwarming van het kamp en het klein onderhoud van de machines.

De kapo’s – leden van de wrede en actieve kamppolitie: Lager-älteste, Blockälteste en Stubenälteste – waren herkenbaar aan een brede, gele band om hun linkermouw. Zij oefenden controle uit over alle lagen van het kampleven, van de algemene zaken tot en met het kleinste voorval ’s nachts op de britsen. De gevangenen speelden zelfs in de meest vertrouwelijke aangelegenheden van het kampbewind een rol: het opstellen van de selectielijsten, de ondervraging van gevangenen in de betonnen hokken die bekendstonden als de ‘donkere kamers’. Het leek alsof de gevangenen, mocht de Duitse kampleiding wegvallen, zelf het prikkeldraad onder hoogspanning zouden houden, zodat ze niet weg zouden lopen maar door zouden werken.

De kapo’s en de Blockälteste voerden uit wat hun bevolen werd, zuchtend en soms zelfs huilend om de mensen die naar de crematoria werden afgevoerd. Maar hun dubbele rol had zijn grenzen: ze zetten nooit hun eigen naam op de selectielijsten. Wat Mostovskoj nog het luguberste vond was dat het nationaalsocialisme in het kamp niet de gedaante aannam van een hooghartige aristocraat met een monocle, volstrekt vreemd aan het volk. Het nationaalsocialisme leefde op zijn gemak in de kampen, het was deel van het gewone volk, het maakte volkse grappen waar om werd gelachen, het was een plebejer zonder kapsones en het was uitstekend bekend met de taal, de ziel en de geest van de mensen die het van hun vrijheid beroofde.

3

Mostovskoj, Agrippina Petrovna, de legerarts Sofja Levinton en de chauffeur Semjonov waren door de Duitsers, die hen op een nacht in augustus aan de rand van Stalingrad hadden aangehouden, naar het hoofdkwartier van een infanteriedivisie gebracht. Agrippina Petrovna was ondervraagd en weer vrijgelaten, waarbij ze op bevel van een gendarme een erwtenbrood meekreeg en twee rode dertigroebelbiljetten. Semjonov was ingedeeld bij een colonne gevangenen die op transport gestuurd werden naar een Stalag in de buurt van het gehucht Vertjatsji. Mostovskoj en Sofja Osipovna Levinton waren naar het hoofdkwartier van de Heeresgruppe gebracht. Daar had Mostovskoj Sofja Osipovna voor het laatst gezien. Ze stond midden op een stoffige binnenplaats, ze had geen veldmuts meer en haar insignes waren afgescheurd. De stuurse, grimmige uitdrukking van haar ogen en gezicht vervulde hem met bewondering.

Mostovskoj werd drie keer ondervraagd en toen te voet naar het treinstation gedreven, waar een goederentrein met graan werd beladen. Tien wagons waren afgezonderd voor de jonge mannen en vrouwen die als dwangarbeiders naar Duitsland werden gevoerd. Mostovskoj hoorde het geroep van de vrouwen toen de trein wegreed. Zelf werd hij opgesloten in de kleine dienstcoupé van een derdeklasrijtuig. De soldaat die hem begeleidde was niet onvriendelijk, maar als Mostovskoj hem een vraag stelde kreeg zijn gezicht een soort doofstomme uitdrukking. Tegelijkertijd voelde Mostovskoj dat hij geheel en al op hem gericht was. Hij was als een ervaren bewaker van een dierentuin, die met voortdurende gespannen aandacht zwijgend waakt over een kist waarin het geritsel klinkt van een wild dier dat per spoor vervoerd moet worden.

Toen de trein over het grondgebied van het Poolse Gouvernement-Generaal reed, kwam een nieuwe passagier de coupé binnen: een grijze Poolse bisschop, een mooie, rijzige man met tragische ogen en een kinderlijk volle mond. Hij begon Mostovskoj meteen te vertellen over de vervolging van de Poolse geestelijkheid door Hitler. Hij sprak Russisch met een zwaar accent. Maar toen Michail Sidorovitsj een tirade afstak tegen het katholicisme en de paus, viel hij stil en gaf alleen nog kort en in het Pools antwoord op Mostovskojs vragen. Een paar uur later, in Poznań, moest hij uitstappen.

Mostovskoj werd naar het kamp gebracht, zonder tussenstop in Berlijn. En nu leek het alsof hij al jaren had doorgebracht in het blok voor gevangenen die de bijzondere interesse van de Gestapo hadden. Ze kregen hier beter te eten dan in het werkkamp, maar het was het goede leventje van proefdieren in een laboratorium. Iemand kon op een dag door de dienstdoende bewaker naar de deur geroepen worden voor een aantrekkelijke ruil met een kennis van een portie tabak tegen een broodrantsoen; zo iemand keerde met een tevreden grijns terug naar zijn brits. Dan riep de bewaker op dezelfde manier een ander, die zijn gesprek onderbrak en naar de deur kwam; zijn gespreksgenoot zou het einde van zijn verhaal nooit meer horen. Een dag later kwam er dan een kapo naar zijn brits die de bewaker beval zijn kleren bijeen te zoeken en een van de gevangenen informeerde voorzichtig bij de Stubenälteste Keise of hij de vrijgekomen brits mocht innemen.

Mostovskoj was gewend geraakt aan de bizarre mengeling van gespreksonderwerpen: de selectie, de lijkverbranding en de voetbalteams van het kamp. Dat van de veenbrigade, de Moorsoldaten, was het beste, dat van het Revier was ook sterk, de keuken beschikte over snelle aanvallers, het Poolse team Pracefiks had geen verdediging. Hij verbaasde zich ook niet meer over de tientallen, honderden geruchten die de ronde deden over nieuwe wapens, over onenigheid tussen de nationaal-socialistische leiders. De geruchten waren altijd hoopgevend en onwaar – opium voor het kampvolk.

 


Nieuws

Blader door onze najaarsaanbieding

De mooiste non-fictie lees je ook dit najaar weer bij Balans: of je nu houdt van geschiedenis of juist gericht bent op actualiteit, we hebben voor ieder wat wils.

Zo kun je in oktober uitkijken naar het prachtige en aangrijpende Dagboek van een invasie van Oekraïense Andrej Koerkov, waarin hij de schrijnende situatie in zijn …

Lees verder