Leesfragment

Supernormaal. Van een moeilijke jeugd naar een evenwichtig leven

  • 26 januari 2018
  • 3m

Fragment uit Supernormaal. Van een moeilijke jeugd naar een evenwichtig leven van Meg Jay.

Antiheld

‘[Frankenstein] bestond uit slechte onderdelen, maar probeerde goed te zijn.’- Johnny Cash

Stan Lee, redacteur en hoofdtekenaar van Marvel Comics, schudde in 1962 het universum van de superhelden wakker en ontketende een ware revolutie in de stripverhalenindustrie met zijn allereerste tekening van Spiderman. Anders dan alle voorgaande superhelden was Spiderman geen volwassen man met een potig postuur en een leeuwenhart die kloekmoedig ten strijde trok tegen het kwaad in de wereld. Peter Parker, alias Spiderman, was een tiener die nog bij zijn oom en tante woonde en zelf ook zo zijn problemen had. Hij was arm en werd op school gepest. Meisjes zagen hem niet staan. En zijn bijzondere gaven – hij was supersterk, kon tegen muren op klimmen en had een spinneninstinct voor gevaar – dankte hij niet aan een hogere roeping of betere zaak, maar waren hem tegen zijn zin ten deel gevallen toen hij idioot genoeg werd gebeten door een radioactieve spin.

Superman kon je nog zien als een Griekse god die uit de hemel was neergedaald en alleen maar deed alsof hij Clark Kent was, maar Spiderman haalde de superhelden definitief terug naar de aarde. Hoewel de stripboekenreeks De spektakulaire Spiderman heette, voelde Spiderman zich allesbehalve spectaculair. Simpel gezegd: ‘Clark Kent was een vermomming […] Peter Parker was een feit,’ zoals Marvel-schrijver Len Wein het uitdrukte.

Spiderman wordt doorgaans aangemerkt als de eerste antiheroïsche superheld, al beweren sommigen dat dat Batman was, de onverbeterlijke binnenvetter die eeuwig op wraak zint. Maar als een antiheld een protagonist is die de nobele eigenschappen van een held ontbeert, was het Spiderman die definitief afrekende met het beeld van een hemelbestormer met wapperende cape. Als een jongen die eerder toevallig en schoorvoetend heldendaden verrichtte dan doelgericht en enthousiast, was Spiderman niet alleen zeer menselijk, maar ook nog eens een mens met gebreken en vol tegenstrijdigheden. Spiderman, die aan alles twijfelde en eerder uit schuldgevoel handelde dan uit moed, vermoedde heimelijk dat hij geen goed mens was, althans zeker geen supermens. Hij was labiel en onzeker, en voor het eerst kreeg de lezer daar alles over te horen.

Tientallen jaren lang waren de zielenroerselen van superhelden buiten het verhaal gehouden, nu veranderde dat opeens. Bij Spiderman maakte Lee kwistig gebruik van de gedachteballon en liet de lezer zien dat Spiderman soms iets heel anders dacht dan zijn daden suggereerden. Wat men van Spiderman zag waren zijn felgekleurde pak en spectaculaire acties, maar diep vanbinnen – al zou niemand dat hebben gezegd – leed Spiderman onder zijn dubbelleven en zou hij het liefst een gewone tiener willen zijn. Over deze revolutie in het stripboekgenre – en mogelijk ook het onderzoek naar veerkracht – zei de kunstenaar Ramona Fradon: ‘Misschien werd het tijd. Je kunt die personages niet eeuwig laten rondrennen zonder dat je je op den duur gaat afvragen wat ze in hun vrije tijd uitspoken.’

Hoewel Spiderman eigenlijk zomaar een ideetje was en volgens de planning slechts één avontuur zou beleven, was hij aan het eind van de twintigste eeuw Superman voorbijgestreefd als de meest populaire superheld van Amerika. Superman was dan misschien ’s werelds eerste superheld, Spiderman leverde het sjabloon voor alle daaropvolgende meer realistische en relevante superhelden. Toen president Barack Obama werd gevraagd naar zijn favoriete superheld, zei hij: ‘Ik was altijd meer van het Spiderman/Batman-type. Degenen die al te veel konden, zoals Superman, verdienden in mijn ogen niet echt hun superheldenstatus. Dan is het wel heel gemakkelijk. Terwijl Spiderman en Batman, die moeten een innerlijke strijd leveren. Die krijgen het nodige te verduren.’ Lezers van over de hele wereld identificeerden zich met superhelden die intern verdeeld waren en ondertussen in de buitenwereld de problemen aanpakten. Er kwamen nog veel meer personages – de verbijsterende Hunk, de Vergelders, de drieste Daredevil en, open voor discussie, het merendeel van alle twintigste-eeuwse incarnaties van superhelden – die lieten zien dat het bij een superheld om meer draaide dan goed versus kwaad. Misschien hielden deze moderne, herkenbare superhelden zich ergens op tussen goed en kwaad. Net als Spiderman, en veel supernormale mensen, waren ze te goed om een slechterik te zijn, maar te slecht om zich een held te voelen.

* * *

Een van Vera’s vroegste herinneringen was een soort gedachteballon. Ze was vijf toen haar kleuterjuf haar prees omdat ze zo vrolijk en lief was, en zij dacht, maar beschikte nog niet over de woorden om dat te kunnen zeggen: mens, je hebt geen idee. Waar het mens geen idee van had was dat niets was wat het leek. Op school was Vera een kwebbelkous met een lichtbruin kleurtje en een brede grijns, maar eenmaal thuis viel er weinig meer te lachen. Ze woonde in een flat met haar broer en haar moeder, die verslaafd was aan drugs en dus niet het soort van moeder was dat ze waarschijnlijk graag had willen zijn.

Ongeveer twee miljoen kinderen leven met een ouder die aan drugs verslaafd is en lopen daarmee een verhoogd risico mishandeld te worden. Een verslaafde moeder is een van de vijf sterkste indicatoren dat een kind wordt mishandeld; ongeveer een derde tot twee derde van alle meldingen bij jeugdzorg hangt samen met drugsgebruik thuis. Omdat een verslaafde moeder of vader soms meer met drugs bezig is dan met de kinderen, komt verwaarlozing in deze gezinnen het vaakst voor. En hoewel verwaarlozing minstens zo schadelijk voor een kind is als fysiek geweld of seksueel misbruik, krijgt het doorgaans de minste aandacht van professionele zorgverleners.

Er bestaat vaak een directe relatie tussen overmatig drugsgebruik en kindermishandeling, zoals kort en bondig wordt uitgelegd door deze vrouw, een ex-verslaafde: ‘Het zijn niet per se slechte mensen die verslaafd raken of slechte mensen die niet om hun kinderen geven. Het zijn gewoon mensen die volkomen afhankelijk zijn geworden, hun verslaving overheerst alles, zelfs de liefde die je als ouder voor je kind voelt. De verslaving is zelfs sterker dan dat.’

Ouders die voortdurend bezig zijn om aan drugs te komen of te scoren en na gebruik tot weinig meer in staat zijn, kunnen minder goed voor hun kinderen zorgen. Soms zal er eerder geld aan drugs worden uitgegeven dan aan eten of kleding, of zitten de ouders weer eens in de gevangenis of ontwenningskliniek. Als er thuis regelmatig drugs worden gebruikt, is er in de regel minder ouderlijk toezicht, tonen ouders zich minder betrokken bij hun kinderen en zijn ze ook minder geïnteresseerd in hen. Er wordt vaak niet voorzien in de dagelijkse behoeften van de kinderen – zoals eten, hygiëne, toezicht en aandacht – of de kinderen moeten daar zelf maar in voorzien.

 


Leesfragment

Leesfragment ‘Brieven aan God en andere mensen’ van Paul van Vliet

aan Mijn vader

Lieve Vader,

Wij zeiden nooit Pap of Pappa, maar Vader. De zusjes noemden je in een bui van vertrouwelijkheid nog wel eens Paps, maar ik vond dat kinderachtig. De tijd dat ik je echt kon schrijven is voorbij. Je bent in 1991 gestorven.

Vijf dagen voor je dood zat je nog bij mij in het Circustheater. Dat zal …

Lees verder