Leesfragment

Voorwoord van ‘Onder de mensen’ van Peter Brusse

  • 21 april 2017
  • 7m

Mijn vader heb ik nauwelijks gekend, hij was een bekend man en werd de prins der journalisten genoemd. Maar wist ik veel.

Ik was vier jaar, bijna vijf, toen hij in januari 1941 onverwacht overleed. Hij werd 67, een betrekkelijk oude vader. Mijn moeder daarentegen was jong. Vader en moeder verschilden bijna veertig jaar in leeftijd. Henk, de zoon uit mijn vaders eerste huwelijk, was ouder dan mijn moeder. Maar mijn jongere broertje Mark en ik vonden het heel gewoon.

Wij herinneren ons een vader die nooit boos was, altijd tijd voor ons had. Wij woonden in Groet bij Schoorl en wandelden bijna iedere dag door de duinen naar zee, ook als het koud was en regende of sneeuwde. We verzamelden schelpen en wij vonden een fles met een brief erin. Herinneren wij ons dat echt of weten we het van de foto van mijn vader, gebogen over een aangespoelde fles?

Op weg terug naar huis maakte mijn vader een praatje met de zieke zoon van de eigenaar van de strandtent. De jongen lag in een bed achter het grote raam dat uitkeek over zee. Ik vond het een beetje eng, die magere, bleke lange jongen onder de vale, kleurloze dekens. Als hij ons aan zag komen, ging hij rechtop zitten en zwaaide naar ons. Ja, zo was het, dat zijn geen verhalen uit de tweede of derde hand. Als we weer verder gingen, keek ik om en zag dat de jongen ons nawuifde. ‘Tot morgen,’ zei hij dan. Ik dacht dat die jongen even groot was als onze grote broers: Ytzen die filmer, Jan die journalist en Kees die acteur werd, de zonen uit vaders vorige, tweede huwelijk.

Mijn vader stond altijd laat op, kleedde zich met zorg en ontbeet alleen, aan de ronde Gispen-tafel. Om beurten kregen Mark en ik het kopje van zijn ei. Soms slopen we naar boven om te kijken of hij al op was. Op een dag – het moet 16 mei 1940 zijn geweest, de dag na de capitulatie – waren we naar de slaapkamer van vader en moeder geklommen. Mijn vader legde zijn brede bretels over zijn altijd blauwe overhemd, en plotseling klonk op die stille morgen het geronk van een motorfiets. We keken naar buiten, vader tilde mij op en ik zag twee Duitse soldaten op een motor met zijspan. Langzaam reden ze midden over de Heere­weg richting zee. De eerste Duitsers in het dorp. Ze droegen helmen en geweren. Vader was even stil en zei bijna plechtig: ‘Dit zijn niet onze vrienden.’ Ik weet nog precies waar vader stond, rechts van het grote raam, bijna in de hoek van de slaapkamer. Niemand was daar verder bij. Dat moment, op de ochtend van de 16de mei, was voor mij het begin van de oorlog die ik heel bewust beleefd heb. Vader klonk bezorgd, ik moet het gevoeld hebben. Een herinnering die mij haarscherp is bijgebleven.

Toen ik 25 jaar later, in januari 1965, als beginnend Londens correspondent dagelijks bij het huis van Winston Churchill in Hyde Park Gate stond te wachten op het bericht van zijn dood, zag ik op een avond tussen de journalisten, camera’s en belangstellenden een vader met zijn zoontje staan. Stevig, hand in hand. Het jongetje droeg zijn schooluniform en had zijn petje op. De vader zei: ‘Dit moet je goed onthouden. This is the end of the British Empire.’ De man was diep ontroerd, ook ik kreeg tranen in de ogen. Alsof ik daar zelf weer met mijn eigen vader stond aan het begin van die afgrijselijke Tweede Wereldoorlog. Ook het eind van een mooie tijd. En heel sentimenteel vroeg ik me af of ik mijn vader had gemist. Churchill ging nu pas dood. Mijn vader en hij waren leeftijdsgenoten. Oké, mijn vader was een jaartje ouder maar hij had toch ook nog wat langer mogen blijven leven. Ja, wist ik, ik had hem gemist.

Mijn moeder hertrouwde met een wijnhandelaar uit Nijmegen, Jef Hekking, een charmante, elegante, zeer bemiddelde vrijgezel die voor ons – midden in de oorlog – chocolaatjes meebracht. Hij was ook nog kampioen tapdansen geweest. We verhuisden naar een voornaam herenhuis in de binnenstad met personeel, zelfs een huisknecht en een werkster, speciaal voor het koper poetsen. Met feestdagen legden zij extra dikke traplopers op de brede marmeren trap. En volgens de gebruiken van die tijd werden Mark en ik voortaan ook Hekking genoemd.

De jongetjes Hekking moesten aan alles wennen: de luxe, de nette manieren, het standsverschil. We kregen nieuwe vriendjes en weer waren er die Duitse soldaten met wie wij niet mochten praten. Later bleek dat vader Hekking een illegale drukpers in de kelder had staan waarop verzetsblaadjes werden gedrukt. Niemand wist ervan. Wij hadden ook onderduikers in huis.

Op 22 februari 1944 werd Nijmegen per vergissing door de Amerikanen gebombardeerd. We stonden op het punt na het middageten naar school te gaan. Maar het luchtalarm ging af en we vluchtten de kelder in, moeder met Lidwien, ons nieuwe zusje dat twee maanden oud was. Het alarm werd afgeblazen, alles was weer veilig en mijn moeder zei: ‘Jongens, opschieten, dan zijn jullie nog op tijd op school.’ Maar vader Hekking zei: ‘Nee, ze blijven thuis. Toen mijn moeder tegensputterde, werd vader Hekking, die nooit zijn stem verhief, razend: ‘Zij blijven hier!’ Twee minuten later vielen de bommen, de erker van ons huis werd weggeslagen, de toren van de Stevenskerk stortte in en de Burchtstraat, waarlangs wij naar school moesten lopen, werd totaal vernietigd. Vuur, rook, bloed, gegil, gasontploffingen, overal lagen mensen op straat. Ook vriendjes van school kwamen om, er vielen 800 doden. Vader Hekking heeft ons leven gered, hij was de tweede vader.

Een half jaar later, bij de bevrijding van Nijmegen, schuilden we in de grote wijnkelder vol vaten en flessen met buren, kennissen en familie, zo’n kleine twintig mensen bij elkaar. Een vluchtende SS’er sloeg het kelderraampje naar de straat kapot en gooide een gasgranaat naar binnen. Wij moesten in allerijl weg en toen we in de achtertuin kwamen, stond ons huis in brand. De gordijnen van mijn slaapkamer vatten vlam, vonken schoten naar buiten, alles knetterde, ruiten sprongen. Uit voorzorg had mijn moeder een handkar neergezet met wijnmanden vol kleren en kostbaarheden. In het voorbijgaan kon zij nog net een fotoalbum uit Groet redden en een dierbaar Bretons Mariabeeldje in haar zak stoppen. Dat had ze van mijn vader gekregen, op vakantie in Bretagne.

Verder ging alles verloren, het huis brandde af. Ook mijn vaders verzameling schilderijen en tekeningen, brieven, boeken, documenten, en het dierbare boekje met handtekeningen van de vele beroemde mensen die hij in zijn lange loopbaan had ontmoet, van Sarah Bernhardt tot Paul Kruger en Abraham Kuyper. Alles is verbrand.

Zo goed en zo kwaad als het ging, hebben wij na vele omzwervingen het normale leven hervat. Wij gingen naar school, gingen op vakantie in Groet bij de boer naast wie wij gewoond hadden en jaren later, in 1952, toen ik in de vierde klas gymnasium zat, gebeurde er iets vreemds. De jonge leraar Nederlands, een invaller, vroeg mij iets voor te lezen uit het literatuurboek. ‘Hekking, lees jij dat eens voor.’

Het was een hoofdstuk uit Boefje, het bekendste werk van mijn vader.

Waarom vroeg de leraar dat aan mij? Toeval? Dacht hij misschien dat juist ik die tekst wel mooi zou vinden? Wist hij meer?

Ik begon te lezen, het zweet brak me uit en na de les ging ik naar de leraar en mompelde: ‘Meneer, die schrijver, M.J. Brusse, is mijn vader.’

De leraar deed of hij het niet hoorde, dacht ongetwijfeld dat er iets mis met mij was, een overspannen puber. Ik kon hem niets uitleggen en hij stuurde me naar de directeur.

De verwarring sloeg toe. Niemand wist ervan, geen vriendje had ik durven vertellen dat ik eigenlijk anders heette. En dat terwijl overal in het land de speelfilm De dijk is weer dicht draaide waarin Kees zijn eerste grote rol speelde. In de etalage van de boekwinkel stond een foto van Jan. Zijn Paris vous parle, zijn radiobrieven voor de AVRO waren voor het eerst gebundeld. En Ytzen viel in 1952 op het Filmfestival van Cannes in de prijzen met zijn documentaire Hij, zij en een wereldhaven.

Ik wilde niemand pijn doen, we hadden het goed in Nijmegen, wij vormden een hecht gezin. Toch knaagde er iets, alsof ik er niet echt bij hoorde. Wij haalden de banden met de grote broers aan. Kees kwam langs als hij in Nijmegen speelde, Ytzen als hij ging filmen en Jan nodigde ons uit bij hem in Parijs te komen logeren. De eerste buitenlandse reis. Jan sprak toen veel over vader, hij voelde zich zijn natuurlijke opvolger.

Mark ging naar de kunstacademie in Arnhem en ik ging rechten studeren in Amsterdam. Wij noemden ons weer Brusse, voor Mark een makkelijker besluit dan voor mij. Mark wist dat hij kunstenaar zou worden, maar ik wilde advocaat worden, de eerste intellectueel in de familie, ver weg van al dat artiestengedoe. Toen ik afstudeerde, wenste mijn hoogleraar, Charles Enschedé, mij veel succes in mijn journalistieke loopbaan. Als werkstudent schreef ik stukjes voor de Haagsche Post. Ik mocht kennelijk geen jurist worden. Ik werd journalist, net als mijn vader, net als Jan. Het bloed kruipt…

Maar het benauwde me steeds meer met die afkomst, mijn vader, de broers te worden geconfronteerd. Ik wilde weg, en de Volkskrant gaf me de kans om najaar 1964 naar Londen te gaan. De dood van Churchill, vier maanden later, zette me aan het denken. Ik kreeg een knipsel uit de NRC, ‘Een kwarteeuw geleden stierf M.J. Brusse’, toegestuurd. In dat artikel, geschreven door de letterkundige G.W. Huygens, stond: ‘De journalist Brusse was een typisch artistieke natuur, een zwerver die het met de “burgerlijke” normen en vooroordelen maar kwalijk kon vinden, maar vol sympathie meeleefde met al wat zich buiten de veilige zelfvoldane wereld van de bourgeoisie bevond.’

Met hetzelfde gemak sprak hij met een minister en souteneur. Hij voelde zich thuis bij kunstenaars en zocht de zelfkant van de maatschappij, de wereld van de paupers, boeven, hoeren en landlopers. Brusse, concludeerde Huygens bij het zilveren jubileum van diens dood, heeft baanbrekend werk verricht. ‘Zijn betekenis voor de Nederlandse journalistiek is groot.’

Gaandeweg ben ik op zoek gegaan, mijn broer Henk schreef zijn herinneringen aan vader op, Ageeth Scherphuis wijdde in Vrij Nederland een lang en boeiend verhaal aan de familie, maar Ytzen, Jan en Kees dachten allemaal anders over hun vader. Dat was een probleem. Wie had er gelijk?

De Amsterdamse historicus Frank van Vree schreef in een artikel over mijn vader, ‘Een statige bohemien tussen de mensen’, dat aan het eind van de negentiende eeuw de sociale roman en de sociale reportage waren ontstaan. De sociale roman gaf kleur en verdieping, maar miste de historische betrouwbaarheid. De sociale reportage was meestal feitelijk en betrouwbaar, maar oppervlakkiger en afstandelijker. ‘Door zijn unieke werkwijze en artistieke kwaliteiten wist Brusse de beste elementen van beide genres te verenigen.’ Hij liet de mensen praten in hun eigen woorden; het Bargoens, de dieventaal, had voor hem weinig geheimen. Hij werd een van de eerste zogenaamde literaire journalisten.

Zo kwam de ene na de andere verrassing, en toen op voordracht van Geert Mak, Hans Maarten van den Brink en anderen het Fonds voor Bijzondere Journalistiek Projecten voorstelde de prijs voor het beste journalistieke boek de Brusseprijs te noemen, was ik verrast en geroerd.

Het net spande zich om mij heen. In het voorjaar 2011 logeerde Kees, die in Australië was gaan wonen, op een boerderij in Schoorl. Toen ik bij hem langskwam, zei hij: ‘Ik moet je wat vertellen, broertje. Heel bijzonder.’

De boerderij bleek aan het pad naar het kerkhof te liggen. Kees wist dat niet. Nietsvermoedend maakte hij, bijkomend van de jetlag, een ommetje en kwam bij de achteruitgang van het kerkhof. Hij opende het groene hekje en voor hij het wist stond hij voor het graf van vader. Hij had het nooit bezocht. Hij schrok, wist niet wat hem overkwam. ‘Ja,’ zei Kees met die trage, intieme stem, ‘ik denk dat vader wilde dat we eens langskwamen.’ Eigenlijk, zei hij, was hij niet verrast. Hij dacht de laatste tijd veel aan hem. ‘Ik zie hem ook vaak op straat lopen, in de hoek van de kamer staan kijken van weet je nog jochie wie ik ben? En dan hoop ik maar dat hij zegt: Jongens, jullie hebben het goed gedaan.’

Kees, altijd al een beetje spiritueel, keek me aan met die trouwe hondenogen en zei: ‘Jij vindt dat gelul, broertje, maar het is geen gelul.’

Er was geen excuus meer, ik ben aan het werk gegaan, ik wilde mijn vader eindelijk leren kennen.

Eenvoudig was het niet. Niet alleen was zijn eigen archief verbrand, de NRC, de krant waar hij meer dan veertig jaar had gewerkt, bleek het redactiearchief bij het oud vuil te hebben gezet. Het werd dus sprokkelen. Ik vond wat brieven, voornamelijk in het Letterkundig Museum, sprak met de familie, was blij met de vroege herinneringen van de oudste broer Henk en moest het vooral doen met zijn eigen werk, de duizenden artikelen waarin hij, als participerend journalist, zijn eigen ervaringen en gevoelens mee liet spelen.

Ik vermoed dat ook mijn speurtocht niet helemaal vrij is gebleven van eigen kleur en klank.


Nieuws, Voorpublicatie

VOORPUBLICATIE ‘Onuitwisbaar’ – Edward Snowden

Op 19 mei 2013 verliet Snowden met vier laptops en wat kleren voorgoed zijn huis op Hawaii, een briefje achterlatend voor zijn vrouw dat hij even voor werk op pad moest. Met cash geld kocht hij een ticket naar Tokio en vandaar vloog hij door naar Hongkong. Daar sloot hij zich op in een hotelkamer, …

Lees verder