Leesfragment

Wandelparadijs Nederland

  • 22 februari 2018
  • 5m

Fragment uit Wandelparadijs Nederland. Te voet door alle provincies van John Jansen van Galen.

Minder, minder?

‘Maar er is in Nederland steeds minder ruimte voor de wandelaar!’

Dat hoor je vaak. Dan heeft weer eens ergens een chagrijnige boer het recht van overpad aan zijn laars gelapt, moeten wandelaars hun pad voortaan delen met fietsers of sluit ProRail opnieuw een onbewaakte overweg. Zie je wel? Er is in Nederland steeds minder ruimte voor de wandelaar!

Het tegendeel is waar. Bekijk het eens op lange termijn, bijvoorbeeld over de periode van ruim zes decennia waarin ik door Nederland gewandeld heb. Dan besef je wel dat de wandelaar in Nederland allengs meer ruimte kreeg!

Drie voorbeelden nu. Straks meer.

Ik groeide op aan de Oostelijke Veluwezoom, feodaal gebied, met veel kastelen en landgoederen. Die waren geen van alle voor publiek toegankelijk. VERBODEN TOEGANG, ARTIKEL 461 WETBOEK VAN STRAFRECHT. Nu staan overal bordjes met het woord ‘Opengesteld’. In heel Nederland gingen de landgoederen open. De eigenaren konden de kosten van het onderhoud niet meer opbrengen en droegen hun bezit over aan Natuurmonumenten of Staatsbosbeheer, die de eis stelden dat de voormalige privédomeinen voortaan voor iedereen toegankelijk moeten zijn.

Jansen van Galen_lf1

Zicht op de Hoogovens bij Wijk aan Zee. (© Corrie Leenhouts)

Nu bestaan er nauwelijks meer landgoederen waar de wandelaar niet mag komen. In de jaren zeventig maakte ik nog mee dat sommige duingebieden particulier bezit waren: een onbezoldigde rijksveldwachter sommeerde mij namens jonkheer Six van Wimmenum in de duinen bij Egmond rechtsomkeert te maken. En kijk nu eens! Rond Twello, Vorden, Arnhem, Den Haag en waar al niet in Nederland liggen snoeren van landgoederen die de wandelaar ongestoord aaneen kan rijgen.

Tweede voorbeeld: de uiterwaarden. Als je vroeger, niet eens lang geleden, langs de rivier wilde wandelen, moest je op de smalle geasfalteerde weg boven op de dijk blijven waar op mooie zondagen slierten motorrijders vlak langs je heen scheurden. Je bleef van de rivier gescheiden door weilanden en prikkeldraad. Maar in de laatste decennia zijn steeds meer uiterwaarden opengesteld en nu loop je vaak vlak langs het water, dat kabbelt op strandjes tussen de kribben: bij Deventer langs de IJssel, bij Arnhem langs de Rijn, bij Tiel langs de Waal, bij Ravenstein langs de Maas.

Bovendien zijn in het kader van het grootscheepse project Ruimte voor de Rivier, overal op de oevers van rivieren nieuwe natuurgebieden geschapen – de Blauwe Kamer bij Rhenen, de Gelderse Poort bij Millingen – waar de wandelaar (vaak tussen kudden runderen en paarden) de rivier kan naderen.

En dan, het derde voorbeeld, al dat nieuwe land! Het is doorgaans drooggelegd voor agrarische doeleinden, maar in de landbouw kwam de klad en al rond 1970 werd de ontginning van Flevoland gestaakt – daaraan danken we de Oostvaardersplassen. Doodzonde dat je daar niet onbekommerd kunt wandelen, er is eigenlijk alleen een wandelpad naar een vogelkijkhut en weer terug. In al die andere ingepolderde gebieden mag je daarentegen naar hartenlust wandelen! Op een zondag zagen we in de Lauwersmeer twee vossen en een blauwe kiekendief. In het Harderbos lagen de nevels geheimzinnig over donkere plassen waarin halfvergane bomen lagen.

U ziet wel: de wandelaar kreeg in de loop van de jaren steeds meer ruimte.

Jansen van Galen_lf2

Fort de Roovere bij Bergen op Zoom. (© Corrie Leenhouts)

Stappen voorwaarts

En het bleef, in die naoorlogse jaren, niet bij openstelling van landgoederen. De volgende stap was het in ere herstellen van oude, in onbruik geraakte paden.

Overal in het land liggen voetpaden waarover de mensen vroeger in een naburig dorp ter kerke gingen, waarop boeren over de kruin van dijken hun vee naar de markt brachten, of waarover paarden in hun tuig zwoegden om schepen over de vaart voort te trekken. Met de opkomst van het gemotoriseerd vervoer raakten deze kerken-, dijk- en jaagpaden in onbruik: men kon voortaan immers over geasfalteerde wegen zijn bestemming bereiken en schepen werden nu door motoren aangedreven. Oude voetpaden werden vergeten en raakten overwoekerd, en daarmee verdween het netwerk van voetwegen dat eeuwenlang over Nederland had gelegen.

Vanaf de jaren zeventig gingen mensen zich beijveren om die paden weer in gebruik te nemen, en vaak met succes. U moet daar niet gering over denken. Je moet allereerst aantonen dat zo’n pad daadwerkelijk bestaan heeft en op de officiële ‘wegenlegger’ is aangegeven, die je kunt raadplegen in de archieven van Rijkswaterstaat. Als het daarop staat, ben je er nog niet want je moet eerst nog aantonen dat het pad minder dan vijftig jaar geleden nog in gebruik was. Dat vereist het opsporen van bejaarden, die bijvoorbeeld kunnen getuigen dat hun ouders in de jaren zestig hen nog iedere zondag dwars door de weiden van Oudendijk meenamen naar de kerk van Beets, waarvan het sierlijke groene houten torentje van verre zo aardig boven het geboomte te zien is. Pas dan is het recht van overpad dat iedereen van oudsher toegang geeft, formeel nog geldig.

Zo zijn heel wat kerk-, dijk- en jaagpaden gerehabiliteerd. Maar er waren meer ontwikkelingen die bijdroegen aan het herstel van een, voor de wandelaar, fijnmazig Nederland. Zogenaamde schouwpaden bijvoorbeeld, waren lang ontoegankelijk behalve voor het personeel van de waterschappen die ze benutten om de sloten waarlangs ze lagen te ‘schonen’. Het was een PvdA-gedeputeerde van Overijssel die als eerste het initiatief nam om ze open te stellen voor voetgangers: Carry Abbenhues. Zelf liep ze alleen met behulp van een wandelstok, maar vastberaden kwam ze op voor een groter bereik van andere wandelaars.

Daarmee werd een nieuwe stap voorwaarts gezet en spoedig kregen wij, met gemengde gevoelens, natte voeten op een schouwpad langs een watergang in de omgeving van Albergen, bij Almelo. Het gras staat namelijk doorgaans hoog op die paden en bij dauw of na regen lukt het je niet er droogvoets over te gaan. Maar door ze te gebruiken kun je geasfalteerde wegen mijden en is dat niet wat de meeste van ons wandelaars willen: over ongebaande paden gaan?

Een recente ontwikkeling is die van het klompenpad, gemarkeerd door stickers met de afbeelding van klompjes. Het Landschapserfgoed Utrecht begon ermee en het Landschapsbeheer Gelderland besloot het idee oostwaarts ‘uit te rollen’. In 2002 werd het eerste geopend, het Schutpad in Leusden. Er zijn er inmiddels in die twee provincies zo’n zestig, van bescheiden lengte: rond de tien kilometer. Dat is geen overbodige luxe want het klompenpad draagt zijn naam vaak met recht: laarzenpad zou ook van toepassing zijn. Soms wordt het strompelen door de modder en dan is tien kilometer gauw genoeg.

De ontwerpers van klompenpaden maken liefst gebruik van de historische paden waar ik het al over had, maar om er een rondwandeling van te breien moet je veelal over het land van een boer, soms meer boeren. Wonder boven wonder lukte het in veel gevallen die boeren zover te krijgen dat ze hun landerijen openstelden voor wandelaars. Dwars door een weiland, langs de rand van een akker, over een hek van prikkeldraad: het land leek ineens groter.

Jansen van Galen_lf3

De berceau op Mariëndaal bij Arnhem. (© Corrie Leenhouts)

En het wordt ons steeds gemakkelijker gemaakt!

Niet alleen krijgt de wandelaar allengs meer armslag, het wandelen wordt hem en haar bovendien steeds gemakkelijker gemaakt.

Toen ik, halverwege de jaren zeventig, mijn verloofde voor het eerst het land van mijn jeugd wilde laten zien, stak ik een enigszins gedateerde kaart van de Veluwe bij mij. Zij wilde graag eens wakker worden in het bos, herten zien en vooral zwijnen. Ik had bedacht dat van ’t Harde naar Hoog Soeren een mooie wandeling te maken moest zijn, en had daar zelf eens zwijnen in overvloed gezien, tientallen.

Gemarkeerde wandelroutes die meer behelsden dan een ommetje rond de kerk bestonden nog niet. Lag het aan die kaart of aan mij? Amper het station van ’t Harde uit, liepen we langs het onafzienbare hek van een militair oefenterrein en toen we eindelijk het eind daarvan bereikten moesten we nog anderhalve kilometer een druk bereden provinciale weg volgen. Slecht begin.

Bij gebrek aan markeringen en andere aanwijzingen maakten de meeste mensen vroeger vaak steeds dezelfde wandeling – dan kon je tenminste niet verdwalen. Mijn grootvader deed dat ook met mij als kind: iedere zondag door de villawijken van ons dorp naar het landgoed Beekhuizen en dan langs de beek naar de waterval waar het kristalheldere water klaterde over een vermolmd houten scheprad, dat allang in onbruik was. Nooit nam hij een andere route.

Alleen door de wol geverfde kaartlezers konden toen mooie, lange routes uitkienen. Voor anderen was het behelpen. Natuurmonumenten zette wel wandelroutes uit die je kon lopen door kloeke, zwart geteerde paaltjes met gekleurde koppen te volgen, maar de vereniging hield de afstanden beperkt. Zes kilometer was al heel wat en dat is voor de geestdriftige wandelaar niet meer dan een ommetje. Bovendien stonden ‘gekleurde paaltjes wandelingen’, zeker in mijn vriendenkring, in een geur van burgertruttigheid, vergelijkbaar met bingo, gourmetten en wonen in een Vinex-wijk. Eigenlijk was wandelen überhaupt niks voor ons soort moderne mensen.

Maar vanaf de jaren zeventig mocht wandelen zich verheugen in een groeiende populariteit. Het voldoet aan de drang van de stedeling naar buiten, aan het ‘terug naar de natuur’ dat in zwang raakte, aan de behoefte om door lichaamsbeweging gezond en fit te blijven en ook, denk ik, aan een nostalgisch verlangen naar vroeger toen alles nog simpel en overzichtelijk was, althans: achteraf lijkt. Hoe graag loop ik niet over zandwegen door de Achterhoek waar elke boer die je ontmoet je groet, omdat men daar nu eenmaal gewend is de vreemdeling zo te bejegenen.


Nieuws

Een mooie boekenherfst

Julio Poch vertelt dit najaar zijn kant van het verhaal in ‘Acht jaar onterecht vast’, Paul van Vliet overdenkt zijn leven in nooit verzonden brieven aan God en andere mensen. De eerste beeltenis van het heelal blijkt veel ouder te zijn dan we dachten lezen we straks in ‘De hemelschijf van Nebra’ en archeoloog Leonard …

Lees verder