Nieuws

Leesfragment ‘De barones en de dominee’: Multatuli neemt het op voor de barones – verschijnt 20 april

  • 15 april 2016
  • 5m

Een vuurwerk van gesis, geroddel en achterklap barstte los naarmate er meer bekend raakte over de affaire van de barones, de dominee en het kind. Het publiek kon, in al dan niet oprechte verbazing en verontwaardiging, via de pers meesmullen van de details, want alles werd op de voet gevolgd en breed uitgemeten.

De tijd was er rijp voor. De Grondwet van 1848 had de persvrijheid een stuk opgerekt. ‘Behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet’ konden journalisten en anderen nu schrijven wat ze wilden. Kranten en tijdschriften verschenen als sprinkhanen in Egypte. Ze vraten het nieuws en als het er niet was, maakten ze het wel zelf of schreven ze het van elkaar over.

De zaak haalde niet alleen in Zwolle de krant, maar trok ook landelijke aandacht. Zelfs het gerenommeerde Handelsbladwijdde er zijn kolommen aan. De inkt van de processtukken en de notulen van de kerkenraadsvergaderingen was nog niet droog of het nieuws lag al op straat. Tante Feith, de archivaris van de familie, kocht alles wat er aan losse publicaties verscheen.

Ongevraagd en onverwacht – ongewenst ook – kreeg Jeannette steun uit de wereld van de literatuur en de polemiek. Niet van de eerste de beste: Eduard Douwes Dekker, vereerd en verguisd onder de schrijversnaam Multatuli, nam zijn pen voor haar op.

Multatuli’s monologen

‘Mevrouw, ik heb u iets te zeggen. Ik wens u toe te spreken om uwentwil, omdat u in droefheid verkeert,’ schreef Multatuli op 4 oktober 1863 aan ‘Mevr. de Wed. P. geb. barones van D. te Zwol’. De verhalen over haar relatie hadden ook hem bereikt, en de schrijver wilde troost en steun bieden aan zijn ‘zuster in verdorvenheid’. Hij vreesde dat zij het hoofd zou buigen voor de vernedering, de schande, de smart. Daarom wilde hij haar in een brief, waarvan hij vermoedde dat die wel door ‘het recht’ zou kunnen worden onderschept, toeroepen: ‘Wie u zelfvernedering voorpreekt als deugd, is een bedrieger.’

Helemaal goed had de schrijver de kranten niet gelezen, want hij meende dat niet Van Rijn, maar Jeannette was terechtgekomen in het gevang. Geen onlogische gedachte, maar die leek bij niemand anders te zijn opgekomen. Het was nadrukkelijk niet zijn bedoeling, verzekerde Multatuli zijn zelfbenoemde zuster, haar te overstelpen met de ‘bitterzoete burgerlijke braafheid’ waarvan zij zo veel last zou krijgen in ‘de dagen van haar bezoeking’. Hij vulde de gevolgen alvast voor haar in en besloot met een recept van eigen hand.

Men zal u spreken van zedigheid en van christendom. Van kuisheid en beschaving. Van voorvaderen – die nooit zondigden – en van voormoederen met gesteven halskraag en dito begrippen. Men zal u spreken van Gods goedheid… in uw kerker! Van zijn almacht… in uw verdrukking! Van maatschappelijke plichten en godsdienstige plichten. Van hoge plichten en lage plichten, van grote en kleine plichten, en daarna… van allerlei plichten. Men zal u laffe dingen zeggen met klinkende woorden. Men zal u spreken van geloof, van heiligmaking, van Gods toorn, van diepgevoeld berouw, van zonde, verdoemenis en fatsoen…En, mevrouw, ik wil u spreken over liefde.

Multatuli vroeg zich af of Jeannette wel afstand kon doen van de gedachte aan de salons uit haar vroegere leven, nu zij zat opgesloten in een klein kamertje in de gevangenis. Of zij de gevangenisbewaarder niet per abuis had aangezien voor een knecht. Of zij hem, als het goed weer was, niet verzocht om tegen elf uur de paarden in te spannen. Het bed in de gevangenis moest haar vreemd zijn, het linnen grof, de kamer klein, de vloer zo ruw, kaal elke wand, het uitzicht doods. ‘O God, o God… mevrouw,’ riep de schrijver uit, ‘ik wenste te mogen ontwaken in uw plaats!’ Hij wilde haar troosten met woorden die rechtstreeks uit zijn hart kwamen, balsem gieten in de wonden die haar pijn deden. Eigenlijk zou het veel beter zijn als iedereen haar maar verliet, want dan zou haar leven veel rustiger verlopen en kon zij haar bittere overdenkingen verwerken in eenzaamheid.

Maar wat had zij eigenlijk gedaan waardoor haar naam te grabbel werd gegooid en zij door het slijk werd gehaald? Welke misdaad had haar van haar vroegere hoge maatschappelijke positive gestoten? Men zei dat zij een ‘onecht kind’ ter wereld had gebracht. Hij zag daarin geen enkel moreel probleem en stelde ook vast dat de wet, ondanks alle verschillen tussen wettig geboren en natuurlijke kinderen, voor de laatsten uiteindelijk toch enige bescherming bood. ‘Maar de zeden… o, die zeden!’

Multatuli wilde proberen Jeannette door de zachtheid van zijn toespraak de hardheid van het gevangenisbed te doen vergeten. Hij wilde de scherpte afronden van de overgang tussen haar dromen en haar waken, de wanden van haar kerker opsieren met bloemen uit de tuin van zijn heerlijke verbeelding. Hij vreesde dat zij het hoofd zou buigen onder alle vernedering, schande en smart. ‘Hoog uw hoofd in de kerker en voor het gerecht! Vrees niet de stenen die men opraapt tot ongeroepen wraak over geschonden zedelijkheid. Sluit niet de ogen in angst. Gebruik ze om rond te kijken, zodat u weet wie de onbeschaamdheid heeft de “eerste” te zijn in het werpen.

Maar wat hebt u dan toch gedaan, mevrouw?’ vroeg hij opnieuw. ‘Men zegt dat u een onecht kind ter wereld hebt gebracht. Ik weet niet of u daaraan verkeerd deed. Het is wel mogelijk.’

Maar, vroeg de schrijver, was zij ‘goed’ voor het kind? Had zij het hartelijk welkom gekust in het leven? Had ze het aan de borst gelegd, waarnaar de kleine lippen gulzig snuivend zochten met wetteloze onbescheidenheid, geholpen door medeplichtige vuistjes – zo lief om te zien – niet bewust als ze zich waren van de zeden? Had zij haar kind vriendelijk toegeknikt en het laten weten dat er in haar hart ruimte genoeg was om de balling, die elders zou worden verstoten, op te nemen? Had zij hem warmte toegedacht voor de kou die er toefde in de wereld? Steun geboden tegen de verdrukking, die eenmaal als lood op hem neer zou vallen? Hulp in zijn strijd, omdat zij onvoorzichtig was geweest? Had zij zich plechtig voorgenomen haar kind te beschutten met haar lijf? Had zij het ontvangen en gebaard met een rijkdom aan liefde, groot genoeg om het schadeloos te stellen voor de weinig zachtzinnige veroordeling die het in de wereld zou moeten ondergaan? Voelde zij de wil en de moed om haar fout tot deugd te maken, haar zwakheid tot sterkte, haar dwaling tot hoge vlucht? Voelde zij tot dat alles de kracht in haar hart?

‘Maar wat had zij dan toch eigenlijk gedaan?’ vroeg hij ten derden male. ‘Men zegt dat u een onwettig kind ter wereld bracht. Misschien had u dit moeten nalaten.’ Niet omdat het niet zou mogen, maar, vreesde hij, omdat zo’n kindje vaak te lijden zou krijgen van drukkende wetten. En misschien had zij wel niet de kracht haar onwettige kind te blijven beschermen.

Maar… wat hebt u geleden! Niet waar, het was een vreselijk ogenblik toen de Natuur u toeriep dat zij zich niet stoorde aan de bepalingen van de burgerlijke stand. Ik heb diep meegevoeld met de angst die u bezielde bij de vreselijke ontdekking dat men het weten zou – die wrede ‘men’ – hoe zwak u was.

Hij vroeg haar ook, wellicht tot schrale troost, of zij zich kon voorstellen hoe een gewoon meisje zich in haar situatie zou voelen. Zij had nog de keus en de kans gehad om haar kind geboren te laten worden te midden van onverschillige vreemden. Altijd nog beter dan de guurheid waarmee het kind zou worden ontvangen door haar ‘naasten’. Jeannette wist ook dat zij voor haar kind een zacht bedje zou kunnen spreiden en het kon kleden in een snoepig kanten jurkje.

U hebt zeker veel geleden, mevrouw, maar één lijden is u gespaard gebleven: het proza van de armoede! U hebt schande gevreesd voor uw kind… goed, maar geen honger! U voelde schrik voor ruwheid en kou… goed, maar niet voor de ruwheid van het plaveisel der straten, niet voor de kou die zich meedeelt in storm en sneeuwjacht.

Nooit had bij haar, als bij menigeen van haar lotgenotes, de gedachte hoeven opkomen om de eerste kreet van haar kind ‘te stikken in moord!’

Hij had gelezen over de voogdij die aan Jeannette was ontnomen en wilde haar ook in dat verband een hart onder de riem steken. ‘Wat hebt u dan toch eigenlijk gedaan?’ herhaalde hij nog maar eens. Men zegt dat u een onecht kind ter wereld hebt gebracht, en ja, nog wat, dat u een ander kind – echt ditmaal – hebt gestolen, geroofd, verborgen of zoiets. Wiens kind? Het uwe immers!’ Het kon toch geen misdaad zijn dat de weduwe haar moederschap liet spreken, was zijn retorische vraag. Zij had het bewijs geleverd van haar moederlijke waardigheid, nu zij in haar hart plaats had willen bieden aan beiden.

‘Waar staat het geschreven dat een onwettige geboorte schandelijk is?’ vroeg hij verder.

Welke wijsgeer heeft dit beweerd? In welk wetboek van zedelijkheid wordt het verkondigd? Confucius zegt het niet. Zoroaster zegt het niet. Jezus zegt het niet. En – hoger dan die allen – de lieve Natuur zegt het niet. En – nòg hoger – mijn hart niet. Ook de geschiedenis van het mensdom in het verleden zegt het niet, noch de feitelijke toestand van het mensdom tegenwoordig. Van alle geboorten, is zeker tweederde deel onwettig. In de verhalen der ‘vaderen’ wemelt het van de onechte kinderen. Ook de Bijbel is er vol van. Jezus zelf was een onecht kind, en toch werd Maria nooit ontzet uit de voogdij over deze of gene ‘echte’ broeder des Heeren.

Zelfs de wet verklaarde uitdrukkelijk: ‘het huwelijk alleen te beschouwen als burgerlijke instelling’. Multatuli wenste Jeannette geluk met haar ‘dubbel moederschap’ dat veel meer waard was dan de ‘hongerige advocaterij’, die achter de wet aanrende. ‘U hebt geleden en gestreden,’ riep hij haar nog toe.

U hebt uw hart gesteld boven het domme bijgeloof der zeden, de liefde voor uw kind boven de vrees voor familiedwang, vonnissen, rechters, wetten en schandaal. Ik groet u, mevrouw, en roep het u nogmaals luide toe! Hoog uw hoofd in de kerker en voor het gerecht!’


Nieuws

Ontvang een gratis exemplaar en schrijf een recensie!

Wil jij de eerste zijn die Levensdraden van Clare Hunter leest én wil je het boek gratis ontvangen? Laat ons dan weten op welke plekken je het zou willen recenseren (bijvoorbeeld op je eigen boekenblog of voor Hebban, Bol, Goodreads etc.) Uiteraard worden er geen voorwaarden gesteld aan de inhoud van je recensie. Levensdraden nog voor je vakantie …

Lees verder