Leesfragment

‘Dochter van het licht’

  • 9 september 2016
  • 6m

Nummer vier

Bij de volgende hoek stopte de dikke chauffeur al langs de kant van de straat. Hij knipte het licht in de auto aan, draaide zich om en eiste: ‘Doe je sluier af, ik wil je gezicht zien.’ ‘Waarom? Wat moet je met mijn gezicht? Ik ga nu naar mijn moeder,’ weerde ik boos zijn bevel af. Maar het was duidelijk dat ik geen enkele kans maakte. Ik kromp ineen. Toen mijn ogen de zijne ontmoetten, voelde ik dat dit hem niet ontgaan was en dat het hem plezier deed. Hij heette Isam.

‘Ik heb je gekocht,’ zei hij. Het voelde als een dichte mist, waarin ik hulpeloos rondtastte. Nergens een uitweg. Diep vanbinnen heb ik altijd gehoopt dat ooit de zon weer door zou breken. Hoe uitzichtloos de situatie ook leek. Zonder hoop hadden we het allemaal niet volgehouden.

Ongeveer een halfuur later vond ik mezelf weer terug in een heel groot huis in Tal Afar. Ik kreeg alleen de kamer met het bed te zien. De gordijnen voor het raam waren dichtgeschoven. Met grove bewegingen inspecteerde hij mijn lichaam. Onder zijn gewicht kon ik me vrijwel niet bewegen. Het voelde of ik werd platgedrukt en gesmoord. Hij hield niet zoals de anderen mijn mond dicht. Hij liet me naar lucht happen, jammeren en schreeuwen. Ik liet alles over me heen komen. Niemand kon ons immers helpen. Niemand kreeg mee hoe we geslagen en vernederd werden. Er was geen wet die ons beschermde.

Toen hij zijn broek weer aanhad en zijn wapen had omgegespt, legde hij mij de regels uit: ‘Je gaat voorgoed bij je moeder wonen, ik kom je alleen om de paar dagen halen.’ De volgende ochtend ging hij eerst ontbijten. Hij schoof me een stuk brood toe, maar ik keek alleen maar naar mijn schoenen. Vervolgens reed hij me naar mijn moeder. De hele tijd zat hij bij ons aan tafel. Ik heb die man nooit zien lachen. Zijn gezicht leek wel van ijs. Vragend keek moeder van hem naar mij.

Omdat Isam mij voortaan om de drie dagen zou komen halen,moest ik haarwel vertellen dat ikmet hemgetrouwd was. Ik vond het zo verschrikkelijk pijnlijk dat ik mijn gezicht achter mijn handen verstopte, maar moeder probeerde me meteen weer op te beuren: ‘Zolang je maar steeds drie dagen bijme bent, gaat het goedmetmij.’Ondanks de blijdschap die zich op haar goedhartige gezicht aftekende wanneer ze naarme keek, verraadden al haar bewegingen – en ook haar ogen – een grote zwaarmoedigheid.

Leyla en Kemal keken met grote verschrikte ogen naar die dikke IS-strijder, maar mij begroetten ze met een stralend gezicht. Moeder lachte in eerste instantie, maar direct daarop begon ze zich alweer zorgen te maken: ‘Je bent erg mager geworden, je ziet steeds bleker.’

Moeder wiegde mij in haar armen tot Isam eindelijk liet weten dat hij opstapte. Daarna klopte hij om de drie avonden buiten aan de poort. Kemal deed dan open en riep: ‘Shirin, je wordt gehaald!’ Wanneer moeder me bij terugkomst dan weer begroette, kwam meteen al de gedachte aan het volgende afscheid boven. Zodra ik terug was, begon moeder de uren te tellen die ons nog samen restten. Elke ochtend was haar gezicht grauw van verdriet. Weer een dag minder. En weer moest ik mee naar zijn huis. Daar deed hij met me wat hij wilde en de volgende ochtend zette hij me weer af bij de poort.

Elke verkrachting voelde alsof ik vanbinnen werd verscheurd, alsof al mijn organen één grote wond waren. Mijn God, elk misbruik voelde aan als bij de eerste keer. Zoveel pijn. Zoveel vernedering. En telkens vroeg ik me af: ‘Waarom gebeurt dit mij?Wat heb ik in mijn leven fout gedaan? Welk leed heb ik anderen aangedaan dat mij zoiets overkomt?’ Deze man sloeg me zodra ik in zijn kamer was.

Wanneer ik maar een of twee uur bij moeder mocht blijven, stuurde hij zijn ondergeschikten mee om me in de gaten te houden.Waarschijnlijk had Isam een nogal hoge positie, omdat hij zoveel mensen onder zich had. Zijn bewaker hing rond aan onze tafel. Maar hij kon onze gesprekken niet goed volgen omdatwe Kurmançi spraken. Toen ik een keer naar het toilet wilde en naar de deur liep, snauwde hij meteen: ‘Zitten!’ Hij dacht dat ik ertussenuit wilde knijpen. Pas toen hij zich ervan verzekerd had dat het toilet zich in de woning bevond, mocht ik gaan. Zodra het hem begon te vervelen, rukte hij ons uit elkaar. ‘Genoeg nu!’

Bij elk afscheid stierf er een stukje van mij, want bij elk afscheid dacht ik: misschien is dit wel de laatste keer dat we elkaar gezien hebben. Bij mijn moeder was het leven. Zodra ik haar de rug toekeerde, wachtte mij de dood. De dagen werden steeds zwaarder. Loodzwaar. Steeds donkerder werden de schaduwen rond de ogen van mijn moeder.

Toen Isam mij op een avond weer eens kwam halen, deed ik of ik ziek was. Maar dat wilde hij van Kemal aan de poort niet geloven en dus kwam hij bij ons de kamer binnen. Ik lag te woelen op mijn bed, mijn ogen halfdicht en deed of ik doodziek was. Evenals eerder al bij de Turkmeen ging het me uitstekend af omdat deze rol goed paste bij hoe ik mij vanbinnen voelde. Ik kreunde net zo lang tot hij me geloofde. Een week lang kon ik dat zo volhouden. Maar toen was zijn geduld op. ‘Als je zo ziek bent, moet ik je naar de dokter brengen.’

De arts gaf me medicamenten. Isam stond erop dat ik die slikte. ‘Om niet zwanger te worden,’ zei hij erbij. Geschokt vroeg ik mijn moeder bij de volgende keer: ‘Mijn God, ontstaan op die manier dan kinderen?’ Ze knikte. Om de drie dagen als ik bij hem was, moest ik die kleine gele tabletjes met hun zoete smaak slikken. Daarvan raakte mijn lichaam opgezwollen.

Een mens went aan heel veel. Aan doodsangst. Aan verlies. Aan oorlog. Maar deze mishandelingen wenden nooit. Deze zwaarlijvige man kon mijn beide armen zo vastklemmen dat ik me niet meer kon bewegen. Zodra hij in slaap was gevallen, ging ik op de grond liggen. Ver bij hem vandaan.

In moeders huis waste ik me elke keer als een bezetene, maar dit vuil raak je niet kwijt. Op een avond in maart zette hij me niet bij zijn eigen huis af, maar bij een ander gebouw. Het was maar een minuut of tien van moeders woonwijk verwijderd. Aan de overkant was een leegstaand tankstation. Hij zei niet waarom. Misschien had hij de bommenwerper in de lucht al ontdekt en wilde hij zich verschuilen.

Ik keek op de klok aan de muur. Het was kwart over acht toen mijn trommelvlies zowat verscheurd werd door het lawaai. De grond onder mijn voeten begon te schudden. Ik was bang dat de muren elk moment op ons neer konden vallen. Dat ik ieder ogenblik in stukken gereten kon worden. Dat ik moeder nooit meer zou terugzien. De muren wankelden.

Ineens begon het licht te flikkeren, toen werd het donker. In deze wijk van Tal Afar was de stroom uitgevallen. In paniek begon ik te schreeuwen, stortte me in een hoek om daar ineen gehurkt mijn oren dicht te houden. Ik ademde snel en zwaar. Door het raam kon ik in het duister alleen zien hoe het stof van de grond omhoog wervelde. Van het tankstation aan de overkant stond alleen nog een betonnen skelet overeind.

Al die tijd zat Isam onbewogen op de bank, zijn armen in zijn schoot. Hij lachte me uit: ‘Je bent echt helemaal gestoord! Waarom zo bang?’ Daarna werd hij ineens woedend. Hij schold me uit: ‘Het is jouw schuld. Als ik je niet was komen halen, hadden ze ons niet ontdekt en niet gebombardeerd.’

Compleet vertwijfeld schreeuwde ik terug: ‘Hoezo mijn schuld? Breng me toch gewoon naar mijn moeder en laat me met rust!’ Het was immers maar tien minute rijden.

Het hele spektakel duurde niet lang. Nadat het vliegtuig zijn dodelijke vracht om ons heen had geworpen, was het weer verder gevlogen. Weliswaar kon je horen dat nu ook andere delen van de stad werden gebombardeerd, maar ons huis wankelde toen allang niet meer.

De bommenwerper was nog niet weg of Isam verlangde het gebruikelijke: ‘Vooruit, kleed je uit!Ga liggen.’Het had geen zin me tegen hem te verzetten,maar ik wierp hem voor de voeten: ‘Mijn God, hoe kun je met mij slapen, nu we zoeven aangevallen zijn? Als er weer een bom inslaat, treffen de mensen mij hier naakt aan. Dat is bij jullie toch een zoned – een vrouw mag toch niet naakt gezien worden?’ Hij vertrok zijn mond tot iets wat een glimlachje moest lijken. ‘Ik dacht dat je gek was, maar nu blijk je veel slimmer dan ik.’
Het was om vijf uur in de ochtend nog donker toen zijn stem mij uit mijn slaap rukte. ‘Sta op verdomme! Ik bring je naar je moeder.’ Misschien dacht hij dat er na zonsopgang opnieuw bommenwerpers door de lucht zouden cirkelen. Misschien wilde hij ook niet dat ik bij daglicht buiten de omvang van de verwoestingen zou zien en deze informative aan de vijand door zou kunnen geven. Op mijn vraag of er mensen waren omgekomen, snauwde hij alleen maar: ‘Dat gaat je geen flikker aan!’ Voor moeders huis aangekomen, keek hij verbeten recht voor zich uit en stuurde me enkel met een handgebaar naar buiten: ‘Wegwezen! Vlug!’ Daarna gaf hij gas en keerde de auto. De man was duidelijk bang.

Zo stond ik vroeg in de ochtend in zwart gewaad als een nachtelijk spook voor de vergrendelde poort en had ik geen idee hoe ik over de muren in het huis daarachter moest komen. Ik wist niets anders te bedenken dan met een steen hard op de poort te slaan. Vanwege het lawaai waren moeder en de andere bewoners bang dat er daar buiten dieven of nog gevaarlijker mensen stonden, die kwaad in de zin hadden. Ten einde raad riep ik: ‘Ik ben het, Shirin! Ik heb het heel koud! Open de poort.’

Mijn neef raapte al zijn moed bijeen en opende de poort. Op sommige momenten wenste ik in lucht op te kunnen gaan. Vooral voor de yezidische mannen schaamde ik me Elke keer weer diep als ik ’s ochtends voor moeders huis werd afgezet. Ik was niet de enige in deze wijk die bij haar moeder op bezoek kwam. Iedereen wist wat ze met ons meisjes deden. Maar iedereen deed er het zwijgen toe.
Kemal en Leyla waren nog diep in slaap. Moeder wreef haar ogen uit. Ze had van de bombardementen helemaal niets gemerkt. ‘Mama, ik was zo verschrikkelijk bang,’ barstte ik los. Argeloos zei moeder: ‘Hoezo? Ze doden toch alleen de mensen van IS.’ ‘Die piloten kunnen toch niet zien dat ik yezidi ben. Ik zat met een nikab aan in dat huis, die dachten allemaal dat ik ook een van hen was.’ Drie dagen later haalde Isam me op. Dit keer rond het middaguur. Dat was ongewoon. Na een maand had hij genoeg van me gekregen. Hij verkocht me door aan Abu Mustafa.


Nieuws

Blader door onze najaarsaanbieding

De mooiste non-fictie lees je ook dit najaar weer bij Balans: of je nu houdt van geschiedenis of juist gericht bent op actualiteit, we hebben voor ieder wat wils.

Zo kun je in oktober uitkijken naar het prachtige en aangrijpende Dagboek van een invasie van Oekraïense Andrej Koerkov, waarin hij de schrijnende situatie in zijn …

Lees verder