Leesfragment

Kwesties van leven en dood

  • 3 november 2017
  • 8m

Fragment uit Kwesties van leven en dood. Het Nederlandse Rode Kruis in de Tweede Wereldoorlog van Regina Grüter.

De mobilisatie en de meidagen van 1940

… en dan zal een schip uit zee de gewonden aan het badstrand brengen, waarbij de diverse ploegen hun hulp zullen geven bij de ontscheping en het vervoer – enz, enz. Werkelijk, deze woorden waren geschreven in het ontwerp voor de groote oefening van de Transport-Colonne van de Afdeeling Vlissingen van het Nederlandsche Roode Kruis en die gehouden zou worden op 3 sept. 1939 ter eere van het 25 jarig bestaan der afdeeling. Maar dit spel heeft nooit plaats gevonden en in de plaats hiervan kwam zeer kort daarna de rauwe werkelijkheid die zoo heel anders was dan we ons voorgesteld hadden en die zoo diep in ons leven heeft gegrepen, dat we het juiste evenwicht nog steeds niet gevonden hebben.

Zo begint de inleiding van het uitgebreide verslag dat de voorzitter van de afdeling Vlissingen, de chirurg H.J. Jens, na de bevrijding aan het hoofdbestuur zond. Hij verwoordde hoezeer de praktijk na het begin van de oorlog in september 1939 en na de Duitse inval in Nederland verschilde van de situatie waarop niet alleen de Nederlandse legerleiding maar ook het Rode Kruis zich had voorbereid. Het ging heel anders dan verwacht en waarop de legerleiding en het NRK zich hadden voorbereid.

Nederland behoorde tot de groep ‘kleine neutralen’ en voerde van oudsher een politiek van neutraliteit. Tijdens de ‘Grote Oorlog’ van 1914-1918 hadden de oorlogvoerende landen die gerespecteerd. Of de Nederlandse neutraliteit bij een nieuwe oorlog gerespecteerd zou worden, was een vraag die men hier graag positief beantwoordde. Hoewel de neutraliteitspolitiek werd voortgezet, moesten de regering en de legerleiding echter wel degelijk rekening houden met de mogelijkheid betrokken te worden bij een toekomstige oorlog. Ook het NRK kreeg een aandeel in de voorbereiding. De formele taak van het NRK was, zoals we hiervoor al zagen, bij oorlogshandelingen zowel te land als ter zee hulp te verlenen aan zieke en gewonde soldaten. En daarnaast was er de taak ten behoeve van krijgsgevangenen, zoals die in het Verdrag van Genève van 1929 was vastgelegd. Op grond van die taak deed de minister van Defensie een beroep op het Nederlandse Rode Kruis.

Hoe doorstond het NRK de vuurdoop toen het voor het eerst in zijn bijna 75-jarige geschiedenis werd geconfronteerd met oorlogshandelingen in eigen land? Was de voorbereiding op de hulpverlening aan het militaire apparaat adequaat geweest? En wat deed het Rode Kruis voor de burgerbevolking? Was er een strikte scheiding tussen hulp voor militairen en voor burgers – iets wat gezien de formele taak te verwachten was?

De voorbereiding op een mogelijke oorlog

Al in oktober 1933 had de Inspecteur van de Geneeskundige Dienst van de Landmacht namens de minister van Defensie het hoofdbestuur gevraagd of het bereid en in staat zou zijn in geval van oorlog de verpleging van zieke en gewonde soldaten in een of meer evacuatiegebieden op zich te nemen. Het antwoord kon gezien de missie van het Rode Kruis niet anders zijn dan bevestigend. Daarop kreeg Offerhaus in 1934 de taak hiervoor een plan op te stellen. Dat deed hij samen met een vertegenwoordiger van de generale staf, de later in krijgsgevangenschap overleden kolonel N.T. Carstens. In maart 1938 boden zij het ‘Mobilisatie-voorschrift voor de Vereeniging Het Nederlandse Roode Kruis’ aan het bestuur aan. Begin 1939 stelde het hoofdbestuur van het NRK de minister van Defensie voor een mobilisatiebureau in het leven te roepen, om zo alle voorbereidingen in goede banen te leiden. Tegelijkertijd spande het NRK zich in om de capaciteit en vaardigheden van de transportcolonnes en verpleegunits op peil te brengen. De plaatselijke afdelingen hadden de taak om voldoende vrijwilligers te leveren, iets wat urgent was omdat voor beide groepen vrijwilligers tekorten waren. Daarnaast diende het NRK voorbereidingen te treffen voor de administratieve verwerking van de informatie over gewonde en gesneuvelde militairen. Hiervoor activeerde het bestuur het Informatiebureau, dat in de voorgaande jaren een sluimerend bestaan had geleid. Nadat op 24 augustus 1939 de voormobilisatie, en vier dagen later de algemene mobilisatie waren afgekondigd, werd het NRK vrijwel onderdeel van de MGD.

Evacuatiegebieden voor militairen

Het Rode Kruis moest zich voorbereiden om bij een vijandelijke inval hulp te verlenen in de evacuatiegebieden, die 50 tot 100 kilometer achter het front zouden liggen. De regering en de legerleiding gingen ervan uit dat bij het uitbreken van vijandelijkheden het front in het oosten van Nederland zou liggen, bij de Peellinie en het gebied bij de Grebbeberg. In het noorden en westen van het land verwachtten zij geen oorlogshandelingen. Drie evacuatiegebieden zouden nodig zijn en zij wezen hiervoor voorlopig Holland, Friesland-Groningen-Drenthe, en Zeeland aan. Het zou afhangen van de strategische omstandigheden bij een eventuele vijandelijke inval welk van die gebieden werkelijk voor de evacuatie in gebruik genomen zou worden. Het was niet de bedoeling dat mensen van het Rode Kruis zelf aan het front zouden worden ingezet, maar uitgesloten was het niet. In dat geval zouden zij in het operatiegebied zelf werken, 0 tot 50 kilometer achter het front, waar in principe alleen de geneeskundige troepen van de MGD actief waren. Behalve activiteiten in het evacuatiegebied was het de taak van het Rode Kruis de etappedienst van de MGD te assisteren bij het vervoer van zieke en gewonde militairen. Daarvoor werden voorbereidingen getroffen voor het opzetten van afvoerstations, afvoerhavens en gewondentreinen. Hulp aan de burgerbevolking kon ook tot de Rode Kruistaak behoren, ‘waar nodig en indien mogelijk’. Daarnaast zou het NRK een Informatiebureau instellen voor de informatieverstrekking over gewonde, gesneuvelde en krijgsgevangen militairen, en een Gravendienst voor het begraven van de gesneuvelden.

De schatting van het ministerie van Defensie was dat het aantal gewonde en zieke militairen tot 40.000 kon oplopen. De opzet was dat al die gewonden voor medische verzorging zouden worden vervoerd naar centrale ziekenhuizen en nood- of hulpziekenhuizen in het aangewezen evacuatiegebied. Omdat pas na het begin van de eventuele vijandelijkheden duidelijk zou worden welk van de drie evacuatiegebieden de gewonde militairen zou opvangen, moesten voorbereidingen worden getroffen voor alle drie gebieden. De plannen hielden in dat bestaande grote ziekenhuizen tijdelijk dienst zouden doen als centraal ziekenhuis. Zij moesten het aantal bedden uitbreiden met 25 procent. Daarnaast zouden bestaande kleinere ziekenhuizen met een operatiekamer, röntgeninrichting en laboratorium gewonde militairen opvangen. Die zouden het centrum vormen van een groep hulpziekenhuizen, die in grote gebouwen in de omgeving van de grote steden werden aangewezen en ingericht. Om voldoende capaciteit voor de gewonde militairen te bereiken, zouden burgerpatiënten in de bestaande ziekenhuizen plaats moeten maken voor de militairen. Slechts een derde van de totale ziekenhuiscapaciteit zou in geval van oorlog beschikbaar blijven voor burgers. Indien nodig zouden zelfs alle bedden in het evacuatiegebied door de militairen bezet worden, wat betekende dat alle burgers in het ergste geval tijdelijk uit die ziekenhuizen zouden moeten vertrekken. Zij zouden ontslagen of naar andere ziekenhuizen geëvacueerd worden. Al met al hield de legerleiding rekening met een uitbreiding van het totaal aantal bedden met 23.000. Het NRK zou zorgen dat de helft hiervan in de eerste twee weken na het uitbreken van vijandelijkheden in de noodhospitalen geplaatst zou worden en de andere helft in de weken daarna.

Het Mobilisatiebureau dat op voorstel van het NRK in februari 1939 was ingesteld, zorgde voor de voorbereidingen. Het hoofd van dit bureau, Rode Kruiskolonel buiten dienst J.P. de Man, werd bijgestaan door twee gepensioneerde onderofficieren. Zij zorgden voor de registratie van de Rode Kruisvrijwilligers. Daarnaast zorgden zij voor het samenstellen en verspreiden van de handleidingen voor de mensen die met de voorbereidingen te maken hadden: de chef-artsen, de afdelingsbesturen en de commandanten en transportcolonnisten. Verder zorgde het Mobilisatiebureau voor de inzameling en het beheer van de voorraden, de verzending van waarschuwings- en uitvoeringstelegrammen en tot slot de opbouw van de transportroutes van de gewonde en zieke soldaten van de ‘uitlaadplaatsen’ naar de verpleeginrichtingen.

Artsen en medisch specialisten zouden bij een vijandelijke inval ingezet worden voor de behandeling van de gewonde militairen. Offerhaus had als hoofd van het ziekenhuiswezen de taak om die artsen en specialisten in te delen bij de verschillende ziekenhuizen. Hij werd daarbij ondersteund door de militaire arts A.O.H. Tellegen. Zij benaderden de artsen om formulieren in te vullen over de mogelijkheden om ingezet te worden bij een eventuele vijandelijke inval. Lijsten met namen en specialismen van artsen werden heen en weer gestuurd tussen het Mobilisatiebureau en de ziekenhuizen. Offerhaus en Tellegen werden echter geconfronteerd met complicaties bij de indeling. Het kwam voor dat een arts inmiddels bij een ander ziekenhuis was gaan werken. En sommige ingedeelde artsen waren door de mobilisatie onder de wapenen geroepen en vielen af omdat zij dan bij de MGD zouden worden ingezet. Een vrouwenarts uit Rotterdam liet Tellegen weten dat hij niet akkoord kon gaan met de indeling van zijn diensten in het Zuider Ziekenhuis. Het was te ver weg om van daaruit de bevallingen waarvoor hij al afspraken had gemaakt, te begeleiden (een tramrit zou een half uur tot drie kwartier kosten, als tenminste de Maasbruggen nog intact zouden zijn). Liever zou hij bij het voor hem gunstiger gelegen Israëlitisch Ziekenhuis worden ingedeeld. Tellegen ging akkoord. Weer een andere arts zette zijn stekels op: hij was akkoord gegaan met zijn indeling bij een bepaald ziekenhuis, maar kreeg twee maanden later bericht dat die bestemming zonder overleg met hem was ingetrokken. Hij zou later nog horen waar hij wel was ingedeeld. Dit wekte wrevel: ‘Deze handelwijze komt mij zo vreemd en onjuist voor dat ik er de voorkeur aan geef om bij voorbaat van een aan te wijzen nieuwe bestemming af te zien.’ Een andere specialist die bezwaar maakte, kreeg van Tellegen te horen ‘dat een ieder, niet militair dienstplichtig zijnde, geacht wordt zijn burgerplicht ten volle te vervullen, indien hij in geval van oorlog diensten verricht voor het Nederlandsche Roode Kruis’.

In deze voorbereidingsfase stonden de evacuatiegebieden onder leiding van de militaire gebiedsarts voor medische zaken en onder bevel van de commandant evacuatiegebied en de inspecteur van de MGD. De leiding van de centrale hospitalen kwam in handen van chef-artsen die het hoofdbestuur van het NRK had benoemd. Deze zouden in geval van mobilisatie of oorlog een militaire rang krijgen. Zij werden terzijde gestaan door de burgerartsen, die het hoofdbestuur van het NRK in vredestijd had aangewezen, die bij mobilisatie eveneens een militaire rang zouden krijgen. Bij werkelijke oorlogshandelingen zou de leiding van het evacuatiegebied van de hoofdcommissaris van het ziekenhuiswezen Offerhaus naar de militaire gebiedsarts gaan. Offerhaus kreeg bij Koninklijk Besluit van 2 november 1939 tijdelijk de militaire rang van reserve dirigerend officier van gezondheid eerste klasse. Hiërarchisch zou hij onder de militaire gebiedscommandant staan en een militair uniform dragen.

Bij de voorbereiding van de evacuatiegebieden golden vier stadia voor de daadwerkelijke uitvoering van de plannen. In de eerste plaats de voorbereiding, zoals hierboven beschreven is. Vervolgens zou de minister van Defensie op voorstel van de opperbevelhebber van land- en zeemacht in tijd van oorlog of oorlogsgevaar aangeven welke van de drie gebieden als evacuatiegebied zou dienen. Op dat moment zouden de chef-artsen in werkelijke dienst komen en de hoofdcommissaris voor het ziekenhuiswezen zou de afdelingsbesturen, de ziekenhuisdirecties en de chef-artsen een waarschuwingstelegram sturen. De derde fase was die van de daadwerkelijke inrichting van het evacuatiegebied onder leiding van Offerhaus, op bevel van de opperbevelhebber van land- en zeemacht. Het was mogelijk dat er geen bevel tot inrichting zou komen, maar in dat geval moest iedereen paraat blijven. Dan zou nog niet tot uitbreiding van ziekenhuizen worden overgegaan en burgerpatiënten zouden nog niet ontslagen worden. Ook behoorde een gedeeltelijke inrichting van een evacuatiegebied tot de mogelijkheden. De vierde fase, ten slotte, was die van het in werking stellen van het evacuatiegebied, eveneens op bevel van de opperbevelhebber van land- en zeemacht. Het gebied stond dan onder leiding van de gebiedscommandant. Offerhaus droeg dan de verantwoordelijkheid en leiding over aan de militaire gebiedsarts, die vervolgens de hospitalen in werking zou stellen.

De inzet van Rode Kruismaterieel en vrijwilligers

Naast al deze organisatorische en operationele voorbereidingen moesten bij een werkelijke oorlog voldoende Rode Kruisvrijwilligers klaarstaan om hulp te bieden. In de eerste plaats ging het om de transportcolonnisten, die de taak hadden materieel aan te voeren op het moment dat de inrichting van de ziekenhuizen vereist zou zijn. De bedden, brancards, verbandmiddelen en voedingsmiddelen moesten klaarstaan in de depots en magazijnen van het Rode Kruis. De transportcolonnisten moesten ook paraat staan voor vervoer van zieke burgers die in de ziekenhuizen plaats zouden maken voor de gewonde militairen, en uiteraard voor het vervoer van gewonde soldaten naar de evacuatiegebieden. Daarnaast waren voor de verpleging voldoende verpleegsters en helpsters nodig. Ook daarvoor waren maatregelen in het plan opgenomen en voorbereidingen getroffen.

De plaatselijke Rode Kruisafdelingen in het land leverden zowel de transportcolonnisten als de verpleeghulpen (‘helpsters’). In samenspraak met Offerhaus en de hoofdcommissaris van het transportwezen, kolonel Lucardie, bereidden de afdelingen zich op deze taak voor. Het doel was 14.000 opgeleide helpsters paraat te hebben. Zij zouden in het verpleegwerk assisteren en optreden waar er een tekort aan gediplomeerde verpleegsters was, maar niet de gediplomeerde verpleegsters vervangen. Omdat er niet voldoende helpsters bij het Rode Kruis geregistreerd waren, moest het Rode Kruis nu in korte tijd overgaan tot de werving en opleiding van de helpsters. Daartoe nam het contact op met de twee andere erkende ‘organisaties voor vrijwillig hulpbetoon’, die we al in hoofdstuk 1 tegenkwamen: de Johannieter Orde en de Soevereine en Militaire Orde van Malta. Daarnaast kwamen ook via andere instellingen zoals het Wit-Gele Kruis helpsters beschikbaar.

Omdat de werving aanvankelijk niet de gewenste resultaten liet zien, bereidde de opperbevelhebber van land- en zeemacht een ‘Verordening Hulp aan den Militairen Geneeskundigen Dienst’ voor, waardoor mensen verplicht zouden worden zieken en gewonden te verplegen. Die verplichting zou ook voor Rode Kruisvrijwilligers gelden, waardoor ‘vrijwilligheid’ als een van de belangrijke principiële grondbeginselen tijdelijk verloren zou gaan – een maatregel waar het bestuur overigens geen bezwaar tegen had. Na de afkondiging van de mobilisatie, eind augustus, en een dringende oproep van het Rode Kruis in september 1939 meldden zich echter voldoende meisjes en vrouwen om het tekort aan te vullen. Hierdoor was de verordening uiteindelijk niet nodig. Op het moment dat Duitsland het land binnenviel, was het totale aantal helpsters gestegen tot 15.5, onder wie een kleine zesduizend katholieke helpsters (onder meer via de Orde van Malta) en 646 van de Johannieter Orde. Het streven was het godsdienstige karakter van de ziekenhuizen en verpleegkundigen te handhaven, zodat rooms-katholieke en protestants-christelijke patiënten in ‘eigen’ ziekenhuizen verpleegd konden worden.

Ook voor de transportcolonnes gold dat er te weinig vrijwilligers waren. De afdelingen begonnen nu een campagne om nieuwe transportcolonnisten te werven en op te leiden. Het Rode Kruis kreeg hierbij hulp van de legercommissaris en de militaire commissarissen, met wie eveneens nauw overleg was over de aard van de inzet van de transportcolonnisten na een eventuele mobilisatie. De afdelingsbesturen organiseerden cursussen en mede door de aanmelding van mensen uit verschillende EHBO-verenigingen stonden tegen de tijd dat de oorlog begon 4000 transportcolonnisten klaar. Zij waren verdeeld over 90 plaatselijke colonnes. Van hen waren er 600 buitengewoon dienstplichtigen, die een bijzondere verbintenis met het Rode Kruis aangingen. Zij werden verdeeld over drie Rode Kruiscompagnieën, die onder verantwoordelijkheid van de directeur van de Etappe- en Verkeersdienst van het leger dienst zouden doen in de gewondentreinen. Deze transportcolonnisten kregen militaire uniformen en uitrusting, en kwamen bij de mobilisatie in werkelijke dienst. De andere 3400 leden van de transportcolonnes bleven paraat bij de afdelingen en zouden van de afdelingsbesturen te zijner tijd horen waar zij zich moesten melden.

Zo werd een medische keten vastgesteld voor de eerste behandeling van gewonde soldaten en het transport naar verbandplaatsen en overlaadplaatsen voor verder transport naar de evacuatiegebieden. Langs de spoorlijnen zouden nog zogenoemde lafenisposten komen, voor het geval dat transporten door vernielingen van hun routes af zouden moeten wijken. Al deze voorbereidende werkzaamheden vonden plaats in nauw contact tussen de afdelingsbesturen en de militaire commissarissen.


Nieuws

Video: Pieter Winsemius over creativiteit

‘Raamwerken in je leven helpen je enorm, maar het houdt je ook af van vernieuwing. Het remt je’. Hoe raak je die raamwerken kwijt en hoe wordt je eigenlijk creatief? Oud-minister Pieter Winsemius schreef een aanstekelijk boek over het geheim van creativiteit en intuïtie.

Hieronder een korte introductie op creativiteit.

 

 

Lees verder