Leesfragment

Leesfragment: ‘Het begin van het einde’

  • 4 april 2018
  • 1m

Leesfragment uit Het begin van het einde van Joseph Jebelli

 

Voorwoord: ‘Een vreemde ziekte’

Toen ik twaalf jaar oud was, begon mijn opa zich vreemd te gedragen. Ik kende Abbas Jebelli als een bescheiden man, wiens familiegevoel hem regelmatig van het roerige Iran naar onze stille straat in Bristol, Engeland, bracht. Hij kwam dan met koffers vol pistachenoten en Perzische lekkernijen, en deelde lachend van oor tot oor zijn cadeautjes aan ons uit.

Het begon met onverklaarbare wandelingen. Als hij bij ons was, ging hij na het eten van tafel en troffen we hem een halfuur later aan terwijl hij doelloos rondliep door de buurt. ‘Hou daar alsjeblieft mee op!’ zei mijn vader dan. ‘Bebakhshid ,’ (neem me niet kwalijk) was het enige wat Abbas zei in zijn eigen taal, het Farsi. In zijn stralende ogen verscheen geleidelijk een angstige, teruggetrokken blik, alsof hij iets onvervangbaars was kwijtgeraakt. Het duurde niet lang voor hij zijn eigen familie niet meer herkende.

Er was hem iets heel vreemds overkomen.

Ik wist niet beter dan dat Abbas gewoon oud werd. Al tientallen jaren nam de menselijke levensverwachting toe. In de jaren veertig van de twintigste eeuw mocht je blij zijn als je vijftig werd, had mijn vader me verteld, maar we leefden nu in de jaren negentig, en opa was een tanige man van vierenzeventig, wiens geest, net als zijn gezichtsvermogen en al het andere, langzaam achteruitging. Toch voelde die verklaring nooit helemaal goed. Ik was jong en had er nog geen idee van hoe eindeloos ingewikkeld het menselijke brein in elkaar zat; ik wist niets van de 85 miljard cellen die fragmenten uit het verleden met elkaar verbinden tot een spookachtig tapijt dat wij geheugen noemen. Misschien was het de pure toevalligheid van deze bizarre aandoening. Waarom, als dit ‘normaal’ was, overkwam het mijn oma dan niet? Waarom kon de koningin nog altijd zulke gloedvolle redevoeringen houden op de televisie, terwijl Abbas niet eens de wijzerplaat van een klok kon tekenen? Waarom was niet iedereen die oud was ermee behept?

Zeventien jaar later sta ik in een kleine, schemerige ruimte in het Institute of Neurology van het University College London. Om me heen glazen potjes, buisjes en planken vol chemicaliën en reageermiddelen en een grote grijze centrifuge. De lucht is vervuld van de scherpe geur van ethanol en er klinkt een zacht gebrom terwijl gordijnen steriele lucht mij van de nabijgelegen werkplekken scheiden. Ik staar in een kleine lichtmicroscoop en stel het beeld scherp tot de contouren van talloze ronde vormen zichtbaar worden. Dit zijn hersencellen van een rat, die mij hopelijk iets meer doen begrijpen van wat mijn opa en miljoenen anderen als hij is overkomen – al die mensen die zijn getroffen door de verschrikkelijkste ziekte van de moderne tijd: de ziekte van Alzheimer.


Leesfragment

Leesfragment: ‘De populist’

Leesfragment uit De populist van Benjamin Carter Hett

 

Inleiding

Het is een ijskoude winteravond in Berlijn. De eerste tekenen dat er iets aan de hand is, openbaren zich een paar minuten voor negenen. Hans Flöter, een theologiestudent, wandelt na een avond studeren aan de staatsbibliotheek aan Unter den Linden naar huis. Wanneer hij het …

Lees verder