Leesfragment

Mij krijgen ze niet levend

  • 19 mei 2017
  • 6m

Fragment uit Mij krijgen ze niet levend. De zelfmoorden van mei 1940 van Lucas Ligtenberg.

Nacht na de capitulatie

De openingsscène van het boek Kroniek der Jodenvervolging 1940-1945 van Abel J. Herzberg begint vroeg in de ochtend van de vijftiende mei 1940. Om middernacht had het Wilhelmus nog op de radio geklonken, waarschijnlijk voor de laatste maal; Nederland had gecapituleerd. Inmiddels was het vier uur, Herzberg hoorde een kerkklok slaan. Hij zag boven de petroleum­haven nog steeds een zwarte wolk van de brandende olietanks hangen die de vorige dag door de Engelsen in brand waren geschoten. Als medewerker van de luchtbeschermingsdienst liep Herzberg patrouille ‘op een plein in Amsterdam’.

Aan de overkant liep een dienstmeisje snikkend over straat. ‘Het meisje was volkomen van streek en smeekte mij door tranen en snikken heen om toch mee te gaan… vlug… vlug… vlug.’ Herzberg ging mee en kwam in een bovenwoning terecht. Het bleek een pension van ‘Joodse émigré’s uit Duitsland’ te zijn. Een man en een vrouw lagen in bed. De man leek al te zijn overleden, de vrouw kreunde nog. ‘Meneer heeft altijd wel gezegd,’ snikte het meisje, ‘dat hij het niet voor de tweede keer zou meemaken. Maar zoiets… zoiets…’

Het kostte Herzberg veel moeite telefonisch verbinding te krijgen met de Gemeentelijke Geneeskundige & Gezondheidsdienst (GG&GD) om de zelfmoord te melden. Toen dat uiteindelijk lukte, moest hij lang aan de lijn blijven. De belofte dat er snel een ambulance zou komen, bleek weinig waard. Het duurde meer dan een uur, misschien nog wel langer, voor er een wagen kwam. Later begreep Herzberg dat dat kwam doordat het zo druk was, toen hij hoorde over de ‘mensen, die niet mee wilden gaan met de nieuwe tijd, en liever de oude, die was gestorven, volgden’.

Na de Duitse inval op 10 mei 1940, maar vooral nadat duidelijk was geworden dat Nederland zich moest overgeven, pleegden honderden personen zelfmoord en vermoedelijk deed minstens eenzelfde aantal een poging. De meesten woonden in Amsterdam en iets meer dan de helft was joods. Toch maakten ook in veel andere plaatsen mensen een eind aan hun leven. Ze deden dat alleen, met partners of met het hele gezin. Soms ook was het een familie met aangetrouwden, kinderen en dienstmeisjes.

In de beschrijving van Herzberg ging het om een pension van joodse emigranten uit Duitsland, niet al te ver van een plein. Dat zou overeenkomen met de zelfmoord van een gezin op Lomanstraat 100-boven, niet ver van het Haarlemmermeerplein. Anton ‘Toni’ Reissner, 49 jaar, werd in het politierapport ‘pensionhouder’ genoemd, zijn vrouw was de vijftigjarige Anna Wörle, en bij hen waren zoon Erwin en ene Adolf Niemeijer, wiens woonadres zich elders in Amsterdam bevond. De doodsoorzaak was gasverstikking. Het ging hier om Duitsers, maar ze waren niet joods. Toen ze werden gevonden, was iedereen, inclusief de vrouw, al overleden.

Een ander adres waar een pensionhouder en een vrouw zelfmoord pleegden was de Den Textraat 13 in Amsterdam. Het waren twee Duitse joden, beiden met de naam Metzger. De man overleed meteen, de vrouw leefde nog twee dagen. Zij werden echter pas op 18 mei gevonden. Bovendien waren ze broer en zus, hij gehuwd en zij ongehuwd. Twee andere personen met de naam Metzger, die eveneens tot het huishouden behoorden, bleven achter. Herzbergs beschrijving correspondeert niet precies met een van beide gevallen en sommige details kloppen niet. Heeft Herzberg hier twee gevallen van zelfmoord op verschillende data gecombineerd in één beschrijving?

De kracht van Herzbergs beschrijving ligt er voor een groot deel in dat het om de eerste nacht na de capitulatie gaat. De oorlog was verloren, maar de capitulatiedocumenten zouden pas in de ochtend van de vijftiende mei worden getekend. Dan pas zouden Duitse soldaten overal binnenmarcheren. Die nacht, niemandsland tussen vrijheid en bezetting, moet voor Herzberg een bijzondere betekenis hebben gehad. De beschrijving van een man die al dood was en een vrouw die nog kreunde komt beter overeen met die van de Metzgers, want Clementine Metzger werd nog levend gevonden en stierf twee dagen later.

Herzberg ervoer door zijn werk als luchtbeschermer wat er gebeurde in ‘de Amsterdamse bovenhuizen’ en stond midden in de zelfmoordgolf van medio mei. Hij was uiteraard niet de enige historicus die aandacht besteedde aan zelfmoorden in mei 1940. Ook Loe de Jong en Jacques Presser maakten er in hun standaardwerken melding van. Herzbergs boek verscheen in 1950, De bezetting van De Jong in 1961 en Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog vanaf 1969. Ondergang van Presser werd gepubliceerd in 1965. De zelfmoorden komen verder beknopt voor in De oorlog die Hitler won van H. Wielek, in … daar zaten wij van Meijer Sluijser, Mijn oorlogsdagboek van Hitzerus Mees, Van mei tot mei van Willem Drees en terloops in enkele andere boeken. Daarin noemen de auteurs telkens dezelfde prominente personen die in mei 1940 een eind aan hun leven maakten, zoals de schrijver Menno ter Braak, hoogleraar Wim Bonger, de Amsterdamse wethouder Emanuel Boekman, het Haagse gemeenteraadslid Michel Joëls, hoogleraar Leonard Polak Daniels en Tweede Kamerlid Jacob ‘Bob’ van Gelderen. Toch bleef het onderwerp in de schaduw staan van de verschrikkingen in later jaren.

Een inmiddels ‘vergeten’ boek is De meidagen van ’40 door D.H. Couvée uit 1960. De auteur citeert veel oorspronkelijke bronnen – kranten, ANP-berichten en andere publicaties – en slaat het onderwerp zelfmoorden direct na de capitulatie niet over. Ook Presser ging in Ondergang op de zelfmoorden en zelfmoordpogingen in en sprak van een ‘zelfmoordepidemie’. ‘Het ene woord paniek vormt in de meidagen van 1940 wel een sleutel,’ aldus Presser, die beschreef dat het gerucht van een ophanden zijnde pogrom in Amsterdam de ronde deed. Mensen barricadeerden hun voordeur en bleven binnen. Sommigen wachtten niet af, maar maakten een eind aan hun leven. ‘Overigens gingen niet allen tot de daad over in paniek; er zijn gevallen bekend van opperste sereniteit, van rust, van berusting,’ schreef Presser, die het, gelet op de formulering in deze passage, mogelijk over zichzelf en zijn vrouw had. Presser deed namelijk na een mislukte gang naar IJmuiden met zijn vrouw Debora ‘Dé’ Appel een zelfmoordpoging ‘in opperste zaligheid’.

Gezien de omvang van het zesentwintig banden tellende Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog kwamen de zelfmoorden en pogingen daartoe in mei 1940 er met drie bladzijden maar bekaaid vanaf. De Jong noemde de hierboven al aangehaalde bekende namen, sloeg een slag naar de aantallen – ‘honderden’ – , maar ging verder niet op het verschijnsel in. Ook maakte hij fouten. Zo plaatste hij de zelfmoord van Polak Daniels in diens woonplaats Groningen, terwijl de hoogleraar zich in het Haagse huis van zijn zoon Anselm bevond. De enige niet-joodse Nederlanders van wie hij kon achterhalen dat ze zelfmoord pleegden waren, aldus De Jong, Wim Bonger, Menno ter Braak en Robert Leopold. Voor een werk dat pas in 1969 en vanaf dat jaar in delen verscheen leek De Jong zich niet erg te hebben ingespannen om meer over de zelfmoorden van mei 1940 te weten te komen.

Zowel Presser als De Jong had kunnen profiteren van het onderzoek door C.S. Kruijt, die al in 1960 de zelfmoorden van mei 1940 beschreef. Hij gebruikte de termen ‘zelfmoordgolf’ en ‘zelfmoordepidemie’. Het uiteindelijke aantal van 388 gevallen in de maand mei van 1940 waar Kruijt op uitkwam, corrigeerde het oorspronkelijke getal van 371 van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en is sindsdien de standaard.

Behalve dat ze de publicatie van Kruijt over het hoofd hadden gezien, was ook geen van de genoemde geschiedschrijvers op het idee gekomen om bij het CBS te informeren naar de exacte aantallen, hoewel die informatie al sinds 1940 openbaar was. Kranten en andere bladen namen die officiële cijfers ook wel over. In oktober 1940 meldde de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant bijvoorbeeld dat het recent verschenen Maandschrift van het CBS alle sterfgevallen in Nederland over de maand mei heeft verzameld. ‘Het aantal zelfmoorden in Mei 1940 bedroeg voor het geheele land 371, waarvan 151 te Amsterdam. In de maand Mei van 1939 was het aantal zelfmoorden 64.’ Opvallend is overigens dat de Provinciale Overijsselsche de enige krant lijkt te zijn die op dat moment de zelfmoordcijfers overnam.

Wout Ultee, Ruud Luijkx en Frank van Tubergen verdiepten zich in de statistische en sociologische kant van de zelfmoorden, niet alleen die in mei 1940, maar gedurende de gehele oorlogs- en bezettingsperiode. Hun onderzoek heeft geresulteerd in wetenschappelijke publicaties in binnen- en buitenland. Om voor het onderzoek toegang te krijgen tot de zogeheten telkaarten bij het CBS moesten ze beloven geen persoonlijke, privacygevoelige informatie naar buiten te brengen. Deze informatie blijft geheim tot 2040. Zodoende werd dus wel breed bekend dat het aantal zelfmoorden in mei 1940 in totaal 388 bedroeg, dat 201 van deze personen joods waren, maar onbekend bleef wie het waren. Let wel: 177 personen waren niet-joods. ‘Een indrukwekkend aantal,’ aldus Kruijt, ‘dat naar ons gevoel nogal eens over het hoofd wordt gezien ten gevolge van de sterke aandacht, welke de joodse zelfmoord uit deze periode steeds heeft getrokken.’

Met alle respect voor de privacy van mensen en de privacyregels van het CBS lijkt het een groot gemis als niet meer bekend zou worden over de paar honderd personen die omstreeks de capitulatie hun leven beëindigden. De impact van de Duitse inval is niet goed te begrijpen zonder meer kennis van de zelfmoorden in mei 1940. De zelfmoorden van die maand verdiepen het historisch begrip van de paniek die de Duitse inval veroorzaakte en de beweegredenen zeggen veel over hoe mensen die beleefden. Nederland werd opgeschrikt door een vijandelijke aanval van een buurland dat ondanks jarenlange verzekeringen van het tegendeel de aanval opende. Door het opvallend hoge aantal zelfmoorden is pas echt te bevatten hoe groot de schok was.

De piek aan zelfmoorden in mei 1940 was niet alleen een directe reactie op de Duitse invasie van 10 mei, maar ook een gevolg van de jarenlange, sluimerende angst dat de Duitsers ook Nederland zouden binnenvallen. Bij velen was al bekend hoe Hitler omging met politiek tegenstanders en hoe joden werden vervolgd en weggejaagd. De naziterreur was altijd ver weg geweest en leek eerst vooral plaats te hebben in andere landen, zoals Duitsland zelf natuurlijk, maar ook Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en Polen. Nederland was al sinds 1815 neutraal en had 135 jaar geen oorlog meer gekend. Alle hoop die gevestigd was op een neutraliteitspolitiek bleef ook nog bestaan nadat in het voorjaar van 1940 Denemarken en Noorwegen onder de voet waren gelopen. Toen werd het 10 mei 1940.

Aan de angst die omsloeg in paniek is te zien hoe verrassend de Duitse inval was. Het bleek een dubbele klap, want na de invasie kwam de snelle capitulatie. Juist de ‘zelfmoordepidemie’, zoals Kruijt en Presser hem noemen, illustreert beter dan alle historische beschrijvingen van de oorlog in die meidagen hoe uitzichtloos de situatie leek. De mensen die geen uitweg meer zagen en een einde aan hun leven maakten, vertellen in daad en soms ook in woord over een aspect van de oorlog dat altijd onderbelicht is gebleven.


Nieuws

Leesfragment ‘Angst’ uit ‘De fantoomterreur’ van Adam Zamoyski

Het nieuws over de val van de Bastille veroorzaakte een schokeffect toen het door Europa heen golfde, en nog verder, over de Atlantische Oceaan naar de Verenigde Staten en de Europese koloniën op het Amerikaanse continent. Hoewel de gebeurtenis op zichzelf niet veel meer betekende dan alarmerende opstootjes, muiterij en straatterreur, werd die toch overal gezien als symbool voor iets …

Lees verder