Leesfragment

Spinoza en de vreugde van het inzicht

  • 20 februari 2017
  • 7m

Fragment uit Spinoza en de vreugde van het inzicht van Kees Schuyt.

De eerste kennismaking, een gemiste kans?

De filosofie van Spinoza staat in het wijsgerige landschap als een berg van graniet; van verre een aantrekkelijke heuvel, van dichtbij een bijna ongenaakbare rotsformatie, die je slechts met de grootste moeite kunt beklimmen. Eenmaal bovenop zie je meer, maar het duizelt je nog steeds.

Meer dan vijftig jaar geleden kwam ik in aanraking met de filosofie van Spinoza. Mijn college-aantekeningen uit de studietijd in Leiden van de cursus Geschiedenis van de filosofie (1962-1963) door dr. J.H. Loenen geven keurig de uitleg van de twee attributen van God, ‘Denken’ en ‘Uitgebreidheid’ weer, maar meer dan deze termen heb ik er niet van onthouden. Ook van de verplichte tentamenstof, onder andere het in die tijd bekende en veel gebruikte boek van G. J. Störig Geschiedenis van de filosofie is me weinig bijgebleven. Hetzelfde kan gezegd worden van de Beknopte geschiedenis der wijsbegeerte van B. Delfgauw, hoewel de passage over Spinoza in dit boek – als ik die nu herlees – in al haar beknoptheid als een heldere samenvatting van Spinoza’s filosofie kan worden beschouwd. Het verschil met de opvattingen van René Descartes over God en de wereld – en de relatie daartussen – wordt kort, maar goed beschreven en met een enkel citaat uit Spinoza’s hoofdwerk Ethica toegelicht. Delfgauw geeft ook aan dat er strijd heerst over de fundamentele strekking van Spinoza’s werk. Gaat het om een ver doorgevoerd rationalisme, zoals zou blijken uit de wiskundige opzet van de Ethica, of is er sprake van een rationele mystiek?

Nuttige kennis, die in die tijd echter niet door mij werd benut. Dat komt wel vaker voor: je komt met iets in aanraking, je hoort van iets, neemt kennis van iets, maar het zegt je niets, nóg niet althans. Kennelijk ontbrak de relevantie van de toen netjes uit mijn hoofd geleerde ‘attributenleer’. Kennis groeit soms langzaam en bij herhaling. Inzicht ontstaat nog veel later, zoals Spinoza zelf leert. Zijn theorie van toenemend begrip en groeiend inzicht, van ‘de verbetering van het verstand’, zoals hij het formuleerde, spreekt me nu enorm aan en wil ik toepassen op zijn eigen filosofie. Het loont de moeite om, hoe moeilijk het ook is, zeker bij eerste kennismaking, het granieten bouwwerk van zijn denken beetje bij beetje, door intensieve aandacht en studie, te leren kennen en begrijpen. Toename van kennis schept vreugde, zoals elke nieuwe wetenschappelijke ontdekking of uitvinding (wat niet hetzelfde is) telkens weer opnieuw bewijst. Of je door méér kennis ook een beter mens wordt, valt te bezien, maar dat is wel de kern van Spinoza’s denken: als we ons laten leiden door rede en redelijkheid, dat wil zeggen door adequate kennisvermeerdering, inclusief zelfkennis, leidt dit tot handelen in grotere vrijheid. Daar gaat het om: bene agere et laetari (goed handelen en blij zijn). Spinoza wordt vaak de filosoof van de blijdschap genoemd, maar dit roept meteen de vragen op wát Spinoza dan onder blijdschap en onder goed handelen verstaat, onder rede en vrijheid, en waar die blijmoedigheid of vreugde uit voortkomt. Betekenen die begrippen precies hetzelfde als wij ze in het dagelijkse leven gebruiken?

Deze vragen komen aan de orde in deze studie en krijgen daar een beredeneerd en persoonlijk getint antwoord. De strekking van Spinoza’s werk ligt gelukkig nog steeds niet vast.

Overlevingsdrang en zelfbehoud

Na mijn eerste kennismaking stuitte ik twintig jaar later opnieuw op enkele van Spinoza’s gedachten. In 1982 las ik in verband met het werk van Primo Levi het boek van Terrence des Pres The Survivor. An Anatomy of Life in the Death Camps, dat gaat over het leven en overleven in de concentratiekampen van Hitler-Duitsland en in de strafkampen van Stalins Goelag. Dit boek begint verrassenderwijs met:

Each thing, said Spinoza in the ‘Ethics’, in so far as it is in itself, endeavors to persevere in its being. That may not be true for rocks and stars, but for societies and men it is undeniable. Survival of the body and its well-being take priority over everything else, although this imperative is transcended and lost sight of when the machinery of civilization is working as it should.

Als de beschaving niet haar voortschrijdend werk doet, tot barbarij vervalt en mensen in extreme omstandigheden opsluit in vernietigingskampen, welke krachten komen dan naar boven om te overleven, zo vraagt Des Pres zich af aan de hand van egodocumenten van overlevenden en als thema in bekende romans als Albert Camus’ De pest en Alexandr Solzjenitsyns Een dag in het leven van Ivan Denisovitsj. Bestaat er een biologische bestaansdrift op momenten dat het leven op het spel staat, bedreigd wordt en in zijn kern wordt aangetast? Waar komt die bestaansdrift of overlevingsdrang van mensen vandaan en waarom lukt het de een wel en anderen niet om in heel moeilijke omstandigheden overeind te blijven? Is dit louter een kwestie van toeval of geluk? De ervaringen van de twee gruwelijkste misdaadregimes uit de twintigste eeuw wijzen in de richting van overmacht, willekeur en toeval, waar de individuele geïnterneerden weinig tegenover konden stellen – Des Pres wijst hier ook op. Maar de intrigerende vraag die hij stelt geldt ook voor minder extreme omstandigheden waaronder mensen kunnen komen te verkeren. In bovenstaand citaat verwees Des Pres naar het begrip dat Spinoza in zijn Ethica de conatus noemt, dat daar als volgt wordt geformuleerd:

elk ding tracht, voor zover het op zich zelf wordt beschouwd, in zijn bestaan te volharden. (E3:6)

Spinoza formuleert hier een van de primaire wetten van het bestaan, namelijk dat het wezen, de essentie, van elk afzonderlijk ding (d.i. een organisme, een mens, een dier, een bloem, een stoffelijk voorwerp, een ‘enkelding’, een samenstel van dingen, een samenstel van organismen) erin bestaat om te proberen, zo veel als mogelijk is, zichzelf in stand te houden, stand te houden en te volharden in het bestaan (conatus in suo esse perseverandi) en om te streven naar zelfbehoud (conatus esse sese conservandi). Elk organisme wil voortbestaan, zo stelt Spinoza, met uitdrukkelijke verwijzing naar alle levende organismen, maar ook naar ‘dingen’ als stenen, bergen en sterren (anders dan Des Pres veronderstelde), want Spinoza’s stelling heeft betrekking op alles wat bestaat, het universum als geheel en alle afzonderlijke ‘enkeldingen’. Dit roept bijzondere vragen op: bestaat er werkelijk zoiets als een conatus en hoe werkt die bestaansdrang dan? Is het een biologisch verankerd levensbeginsel dat zich onweerstaanbaar uit wanneer de omstandigheden dat vereisen? Is het louter biologisch en biologisch-wetenschappelijk aantoonbaar? Werkt het bij mensen en dieren gelijkelijk en manifesteert het zich op eenzelfde wijze? Is het zichtbaar of zichtbaar te maken in het handelen van mensen? Werkt de conatus in alle mensen gelijkelijk of zijn er omstandigheden die de verschillen in feitelijk overleven bepalen?

Deze vragen wakkerden bij lezing van het aangrijpende boek van Des Pres de belangstelling voor Spinoza bij mij aan. Had Spinoza hier iets te pakken en te zeggen wat van wezenlijke betekenis is voor ieders eigen leven, niet alleen voor het overleven in extreme omstandigheden? Dit veroorzaakte mijn tweede kennismaking met Spinoza’s filosofie, nu serieuzer en uit innerlijke drang tot weten en niet om een tentamen te halen. Ik ging op zoek naar een inleiding die me op weg zou kunnen helpen. Het eerste boek dat mij hierbij in handen viel, was Salvation from Despair. A Reappraisal of Spinoza’s Philosophy van Errol E. Harris. Kon de wanhoop van geïnterneerde kampbewoners, van overlevenden en van andere oorlogsslachtoffers verdreven worden? Kan wanhoop in heilzaamheid verkeren en werkt dat dan als een redding, als verlossing (salvation)? Of gaat het meer om eeuwige gelukzaligheid? Was dat Spinoza’s boodschap? Spinoza heeft in zijn hoofdwerk Ethica als een van de eerste filosofen speciale en systematische aandacht geschonken aan affecties en emoties waaraan alle mensen onderhevig zijn. Hij geeft in deel 3 van de Ethica realistische beschrijvingen van een groot aantal emoties, zoals droefheid, mogelijk oorzaak en gevolg van depressie en wanhoop: ‘Wanneer de geest zich zijn eigen machteloosheid voorstelt, wordt hij bedroefd.’ (E3:55)

Salvation from despair geldt dus niet uitsluitend in extreme omstandigheden waarin het uiterste van mensen wordt gevergd, maar gaat ook op in het alledaagse leven van mensen, waarin dingen tegenzitten en pogingen om iets goed te doen niet lukken. Spinoza geeft een weg aan hoe bewust met dergelijke tegenslag om te gaan en zich in de talrijke en onvermijdelijke botsingen, blutsen en kwetsuren in het (maatschappelijke) leven staande te houden, te streven naar ‘zelfbehoud’ en volhardend te zijn in onze essentie, dat wil zeggen het eigene van onszelf.

Ik ben blij dat ik in 1982 dit boek van Harris – naar later bleek een van de belangrijke vroege Angelsaksische experts op het gebied van Spinoza en langdurig en trouw lid van de Nederlandse Spinozavereniging – vrij toevallig in handen kreeg. Het begint met Spinoza’s wetenschappelijke houding en maakt vervolgens een eenvoudige, maar bekende indeling in drie delen: God, Man, Human Welfare. Hiermee begon mijn serieuze studie van het werk van Spinoza, die tot de dag van vandaag voortduurt, want het lezen van Spinoza is even moeilijk als uitdagend.

Spinoza lezen: even gevaarlijk als moeilijk

Het lezen van Spinoza’s werk is niet alleen moeilijk, maar kan zelfs gevaarlijk zijn. In zijn verslag over zijn verblijf in het concentratiekamp Bergen- Belsen vertelt Abel Herzberg van een vrouw die bijna aan haar ontberingen bezweken was: ‘Ik zag ook dat zij in haar reeds verstijfde handen een boek omklemd hield. Ik was er nieuwsgierig naar wat voor boek dat was en welke troost die vrouw daarin gezocht had. Het was niet, zoals U wellicht verwacht, de Bijbel. Het was de Ethica van Baruch d’Espinoza.’

Zij had al die tijd onder een plank in haar bed een exemplaar van Spinoza’s Ethica verborgen gehouden. Als ontdekt was dat zij een boek van een Joodse wijsgeer verstopt hield, had zij daarvoor een zware tot zeer zware straf moeten ondergaan. Maar kennelijk had zij al die tijd moed en kracht uit het lezen van Spinoza, hoe gevaarlijk ook, kunnen putten. Het doet onwillekeurig denken aan Spinoza’s eigen tijd, waarin zijn vernieuwende denkbeelden en geschriften als hoogst gevaarlijk werden bestempeld en niet gelezen mochten worden. Ze konden slechts anoniem gedrukt worden. Veel gebeurde in het heimelijke, in een kleine kring van betrouwbare vrienden. Het kerkelijke en statelijke verbod om zijn werk in het openbaar te verspreiden, duurde nog lang na zijn dood voort.

Zelfs in deze verlichte tijd is het lezen van Spinoza op bepaalde plaatsen in de wereld nog steeds een gevaarlijke bezigheid. In het artikel ‘Reading Spinoza in Teheran’ beschrijft Karima Bennoune de activiteiten van Roya en Ladan Boroumand, de twee dochters van een in 1991 in Parijs vermoorde tegenstander van het ayatollah-regime in Iran. Deze dochters zetten het Human Rights Watch-werk van hun vader, een advocaat en voorvechter van de democratie in Iran, in ballingschap voort. Naast het in kaart brengen van de honderden politieke moorden en terechtstellingen in deze totalitaire theocratie vertaalden zij teksten van klassieke filosofen in het Farsi; als ‘food for thought’, dat in Teheran gelezen kan worden. Van Spinoza werd het hoofdstuk over de vrijheid van denken en van meningsuiting uit het Theologisch- Politiek Traktaat overgenomen, dat in een land waar alle wetten onveranderlijk gebaseerd zijn op religie, net zo bevrijdend klinkt als in 1670: ‘The object of government is to enable men to employ their reason unshackled.’ Andere woorden van Spinoza uit 1670 zijn geschreven alsof hij het heeft over het huidige Iran: ‘What can be more hurtful than that men who have committed no crime or wickedness should, simply because they are enlightened, be treated as enemies and put to death?’ Jonge dissidenten in Teheran lieten en laten zich inspireren door Spinoza (en Hannah Arendt), geholpen door de vertalingen van de Boroumand Foundation in New York.

Dit brengt een ander aspect van Spinoza’s filosofie naar voren: Spinoza als een van de eerste pleitbezorgers van politieke vrijheid en daarmee een van de wegbereiders van de Europese Verlichting. Spinoza was geen bestrijder van religieuze gevoelens als zodanig, maar wel een tegenstander van een op religie gebaseerd politiek bestel (theocratie), beheerst door dogmatische dominees die slechts hun eigen religieuze opvattingen en leerstellingen toestonden. Kerkelijk gezag en statelijk gezag moesten goed onderscheiden en zo veel mogelijk gescheiden blijven. Zo bepleitte hij eveneens een scheiding tussen religie en filosofie, tussen de manier van beantwoorden van theologische en van filosofische vraagstukken, die in zijn tijd vooral kwesties van de nieuwe natuurwetenschappen betroffen.


Leesfragment

Nederland. Een objectief zelfportret in 51 voorwerpen

Fragment uit Nederland. Een objectief zelfportret in 51 voorwerpen, onder de redactie van Wim Brands en Jeroen van Kan.

Chocoladeletter Joyce Roodnat

Zodra hij niet meer in Sinterklaas geloofde, at mijn broer zijn chocoladeletter altijd meteen helemaal op. Om mijn moeder te plagen.

Voor haar wás de chocoladeletter het sinterklaasfeest. Van Droste, gehuld in antibreuk-vloeipapier …

Lees verder