Nieuws, Voorpublicatie

VOORPUBLICATIE ‘Onuitwisbaar’ – Edward Snowden

  • 13 september 2019
  • 4m

Op 19 mei 2013 verliet Snowden met vier laptops en wat kleren voorgoed zijn huis op Hawaii, een briefje achterlatend voor zijn vrouw dat hij even voor werk op pad moest. Met cash geld kocht hij een ticket naar Tokio en vandaar vloog hij door naar Hongkong. Daar sloot hij zich op in een hotelkamer, in afwachting van de journalisten aan wie hij de geheimen zou overdragen, filmmaker Laura Poitras en Guardian-journalist Glenn Greenwald. Maar om allerlei redenen konden ze maar niet komen. En Snowden durfde de kamer niet uit, bang dat een geheim agent afluisterapparatuur zou plaatsen. Meer dan tien dagen lang wachtte hij.

‘Op 2 juni maakten Laura en Glenn eindelijk hun opwachting in Hongkong. Ik denk dat ze bij onze ontmoeting in het Mira teleurgesteld waren, zeker in het begin. Ze zeiden dat zelfs met zoveel woorden, of Glenn deed dat: hij had een ouder iemand verwacht, een kettingrokende, ietwat depressieve man met terminale kanker en een slecht geweten. Hij begreep niet hoe iemand die zo jong was als ik – hij bleef maar naar mijn leeftijd vragen – niet alleen toegang had tot zulke gevoelige documenten maar ook bereid was zijn leven te vergooien. Ik vroeg hun op mijn beurt waarom ze een of andere grijze baard hadden verwacht, gezien de instructies die ik hun had gegeven om mij te ontmoeten: ga naar een specifieke rustige nis in het restaurant van het hotel, waar een nepleren bank met krokodillenlook staat; kijk uit naar een man met een Rubiks kubus in de hand. Het grappige was dat ik me oorspronkelijk bezorgd had afgevraagd of ik dat brokje vernuft wel moest gebruiken; maar de kubus was het enige wat ik had meegenomen dat vermoedelijk uniek en van een afstandje te herkennen was. Hij hielp me ook mijn stress te verbergen: ik was ontzettend bang dat ik elk moment in de boeien zou worden geslagen.

Die stress zou slechts tien minuten later zijn zichtbare hoogtepunt bereiken, nadat ik Laura en Glenn had meegenomen naar mijn kamer, nummer 1014 op de tiende verdieping. Glenn had nauwelijks op mijn verzoek zijn smartphone in mijn minibar gelegd, of Laura begon de lampen in mijn kamer te verplaatsen en te richten. Daarna pakte ze haar digitale videocamera uit. Hoewel we via versleutelde e-mail hadden afgesproken dat ze onze ontmoeting zou kunnen filmen, was ik niet klaar voor de realiteit.

Niets had me kunnen voorbereiden op het moment dat ze haar camera op mij richtte, terwijl ik daar zat op mijn niet-opgemaakte bed in een krappe rommelige kamer die ik tien dagen lang niet had verlaten. Ik denk dat iedereen het weleens heeft meegemaakt: hoe meer je je ervan bewust bent dat iemand je filmt, hoe ongemakkelijker je je voelt. Alleen al het besef dat iemand (misschien) het opnameknopje van zijn of haar smartphone indrukt en het apparaat op je richt, kan een onbehaaglijk gevoel oproepen, zelfs als die persoon een vriend is. Hoewel ik vandaag de dag voor vrijwel al mijn interacties een camera gebruik, weet ik nog steeds niet zeker welke ervaring ik meer vervreemdend vind: mezelf op film zien of gefilmd worden. Het eerste probeer ik te vermijden, maar het laatste vermijden is nu moeilijk voor iedereen.

In een situatie die toch al ontzettend spannend was, verstijfde ik. Het rode lampje van Laura’s camera leek wel de laserstraal van een sluipschutter. Het herinnerde mij eraan dat elk moment mensen de deur konden intrappen en mij voor altijd wegslepen. En wanneer ik daar niet aan dacht, dacht ik wel aan de indruk die deze beelden zouden maken wanneer ze in een rechtbank werden afgespeeld. Ik besefte dat ik nog zoveel dingen had moeten doen, zoals nettere kleren aantrekken en me scheren. Borden van de roomservice en afval

slingerden door de hele kamer. Op de grond lagen noedelbakjes en half opgegeten hamburgers, stapels vuile was en natte handdoeken.

Het was een surrealistische dynamiek. Niet alleen had ik nog nooit een filmmaker ontmoet voordat ik door een werd gefilmd, maar ik had ook nog nooit journalisten ontmoet voordat ik als hun bron ging fungeren. De eerste keer dat ik ooit hardop met iemand over het massasurveillancesysteem van de Amerikaanse regering sprak, sprak ik tot iedereen in de wereld met een internetverbinding. Maar hoe verkreukeld ik er ook uitzag en hoe stijf ik ook klonk, uiteindelijk waren Laura’s filmbeelden essentieel, omdat ze de wereld precies lieten zien wat er in die hotelkamer gebeurde. Een krant zou dat nooit zo nauwkeurig kunnen doen. Het materiaal dat ze in de loop van onze dagen in Hongkong schoot, kan niet worden verdraaid. Het bestaan ervan is niet alleen een eerbetoon aan haar professionaliteit als documentairemaker, maar ook aan haar vooruitziende blik.

De week tussen 3 juni en 9 juni bracht ik opgesloten in die kamer door met Glenn en zijn collega van The Guardian, Ewan MacAskill, die zich iets later op de eerste dag bij ons voegde. We praatten en praatten en namen de NSA-programma’s door, terwijl Laura filmde. In tegenstelling tot de hectische dagen waren de nachten leeg en eenzaam. Glenn en Ewan trokken zich terug in hun eigen hotel, het dichtbij gelegen W, om hun bevindingen tot artikelen te verwerken. Laura verdween om haar materiaal te editen en aan haar eigen verslaggeving te werken met Barton Gellman van The Washington Post, die uiteindelijk nooit naar Hongkong is gekomen maar op afstand werkte met de documenten die hij van haar kreeg.

Ik sliep, of probeerde te slapen. Anders zette ik de tv aan, een Engelstalige zender als BBC of CNN, om naar de internationale reacties te kijken. Op 5 juni publiceerde The Guardian Glenns eerste verhaal, over het gerechtelijk bevel van het FISA-hof dat de NSA toestemming gaf informatie te verzamelen van het Amerikaanse telecombedrijf Verizon over elk telefoontje dat het afhandelde. Op 6 juni publiceerde de krant Glenns PRISM-verhaal, ongeveer tegelijk met een vergelijkbaar artikel in The Washington Post van Laura en Barton. Ik wist – en ik denk dat we dat allemaal wisten – dat de kans dat mijn identiteit zou worden achterhaald, groter werd naarmate er meer artikelen verschenen, vooral omdat mijn kantoor mij per e-mail begon te vragen hoe het met me ging en ik geen antwoord gaf. Maar hoewel Glenn en Ewan en Laura alle begrip hadden voor de tikkende tijdbom waarop ik zat, lieten ze hun verlangen om de waarheid te dienen nooit temperen door die kennis. En ik volgde hun voorbeeld en deed dat evenmin.

Evenmin als een documentaire kan de journalistiek alles onthullen. Het is interessant na te denken over wat een bepaald medium níét kan vertellen, zowel wegens bestaande conventies als om technologische redenen. Glenns artikelen, met name in The Guardian, gaven een haarscherp feitelijk verhaal, ontdaan van de volhardende hartstocht die zijn persoonlijkheid kenmerkt. Ewens artikelen waren meer een weerspiegeling van zijn karakter: oprecht, minzaam, geduldig en eerlijk. Laura, die alles zag maar zelden te zien was, bezat een alwetende terughoudendheid en een sardonische scherpzinnigheid: half meesterspion, half meesterkunstenaar.

Terwijl elk tv-kanaal en elke website breeduit berichtte over de onthullingen, werd duidelijk dat de Amerikaanse regering heel haar machinerie in werking had gesteld om de bron te achterhalen. Het was ook duidelijk dat ze, als ze die bron eenmaal had geïdentificeerd, het gezicht ervan – mijn gezicht – zou gebruiken om haar verantwoordelijkheid uit de weg te gaan: in plaats van in te gaan op de onthullingen, zou ze de geloofwaardigheid en motieven van ‘de lekker’ in twijfel trekken. Aangezien er zoveel op

het spel stond, moest ik het initiatief nemen voordat het te laat was. Als ik mijn daden en bedoelingen niet uitlegde, zou de regering dat doen, en wel op een manier die de aandacht zou afleiden van haar eigen wandaden.

Er was maar één manier waarop ik kon terugvechten: ik moest naar voren treden en mezelf bekendmaken. Ik moest de media net genoeg persoonlijke details verstrekken om hun groeiende nieuwsgierigheid te bevredigen en tegelijkertijd in een verklaring duidelijk maken dat het niet ging om mij maar om de ondermijning van de Amerikaanse democratie. Daarna zou ik net zo snel weer verdwijnen als ik was opgedoken. Althans, dat was het plan.

Ewen en ik besloten dat hij een verhaal over mijn carrière in de inlichtingengemeenschap zou schrijven, en Laura stelde voor een getuigenis te filmen die naast het artikel in The Guardian zou verschijnen. Daarin zou ik verklaren dat ik in mijn eentje verantwoordelijk was voor de informatie achter de berichtgeving over de wereldwijde massasurveillance. Maar hoewel Laura de hele week aan het filmen was geweest (een groot deel van dat materiaal zou ze verwerken in haar lange documentaire Citizenfour), zou het gewoon te lang duren om al haar materiaal door te spitten om fragmenten te zoeken waarin ik samenhangend sprak en oogcontact maakte. Daarom stelde ze voor een verklaring van mij op te nemen. Ze begon ter plekke te filmen en ik begon te spreken: ‘Eh, mijn naam is Ed Snowden. Ik ben, eh, 29 jaar oud.’

Hallo wereld.’


Nieuws

17 september bij Uitgeverij Balans: ‘Onuitwisbaar’ van Edward Snowden

In 2013 schokte de 29-jarige Edward Snowden de wereld toen hij brak met de Amerikaanse geheime diensten en onthulde dat ze in het allergrootste geheim proberen al ons digitale verkeer – elk telefoontje, elk bericht, elke e-mail – op onvoorstelbaar grote schaal te verzamelen en vast te leggen. Van iedereen die zich online begeeft, wordt …

Lees verder